Skip to main content

Tijd in Gods schepping

Tijd in Gods schepping en betekenis voor de geschiedschrijving

Inleiding

Het doel van deze serie artikelen is om de Bijbelse notie van tijd te onderzoeken en te laten zien hoe zij functioneert als een fundamenteel kader voor de menselijke geschiedenis. Aan de hand van teksten uit Genesis, met name Gen. 1:1 en 1:14, wordt tijd niet slechts als abstract concept gepresenteerd, maar als een praktisch en observeerbaar systeem, een astronomische klok die dag, maand en jaar ordent.
We bekijken hoe deze klok werd gebruikt door Adam, Eva en later Noach, en hoe de kennis ervan via de generaties werd doorgegeven tot aan de Babylonische spraakverwarring. Door deze lens kunnen we het ontstaan van vroege meetkunde, de verdeling van de cirkel in 360 graden en de structuren van de oudste astronomische observatoria beter begrijpen. We leggen uit hoe tijd - door God ingesteld - een middel was om de mens te leren observeren, werken, rusten en groeien.
Bovendien wordt belicht hoe de Bijbel, als chronologisch en conceptueel raamwerk, kan dienen als ruggengraat voor de geschreven geschiedenis van de mensheid. Dit betekent niet dat alle details historisch geverifieerd zijn, maar dat gebeurtenissen, generaties en belangrijke breukmomenten - zoals de zondvloed en de Babylonische spraakverwarring - coherent in een tijdskader kunnen worden geplaatst, waardoor externe data beter geïnterpreteerd kunnen worden.

God schiep de tijd

1. Tijd begint met God

De Bijbel opent niet met ruimte, maar met tijd:
In den beginne schiep God de hemel en de aarde” (Gen. 1:1)
Met deze eerste woorden wordt impliciet vastgesteld dat tijd geen eeuwige realiteit is, maar een geschapen dimensie. Er is een begin, en dat begin ligt in Gods handelen. Tijd behoort daarmee tot de schepping en staat niet boven of buiten God, maar onder Zijn gezag.

Vanaf dit moment ontvouwt de Schrift de werkelijkheid als een geschiedenis: gebeurtenissen volgen elkaar op, dagen worden geteld, seizoenen onderscheiden zich. Tijd is dus geen abstract filosofisch concept, maar een functioneel kader waarin God handelt en waarin de mens geroepen is te leven.

Lees meer: God schiep de tijd - wat met C?

2. De astronomische klok van Genesis 1:14

In Genesis 1:14 krijgt tijd een expliciete structuur:
“En God zei: Laat er lichten zijn aan het uitspansel van de hemel om scheiding te maken tussen de dag en de nacht, en laten zij dienen tot tekenen en tot vaste tijden, en tot dagen en jaren.”
Hier wordt tijd objectief waarneembaar gemaakt. Zon, maan en sterren fungeren niet slechts als verlichting, maar als een kosmische klok. Dagen, maanden en jaren zijn geen menselijke conventies, maar afgeleid van een door God ingestelde astronomische orde.
Belangrijk is dat deze klok:

  • universeel is (zichtbaar voor alle mensen),
  • reproduceerbaar is (ieder kan haar waarnemen),
  • en stabiel is (geschikt om vaste tijden te bepalen).

Tijd wordt zo niet alleen meetbaar, maar ook betrouwbaar.

De Schepper  legt de eerste norm vast:
Dit tijdskader kan gelden als een basis voor de geschreven geschiedenis. 

3. De vroege Bijbelse tijdrekening en het jaar van 360 dagen

In het verslag van de zondvloed (Gen. 6–9) treffen we een opmerkelijk consistente tijdrekening aan. De duur van de vloed wordt zowel in maanden als in dagen beschreven, waarbij vijf maanden gelijk zijn aan 150 dagen (Gen. 7:11; 8:3–4). Dit impliceert een maand van 30 dagen en een jaar van 360 dagen.
Deze interne consistentie wijst erop dat Noach werkte met een kalender die:

  • gebaseerd was op vaste maandlengtes,
  • geen regelmatige correcties vereiste,
  • volledig aansloot bij een harmonische astronomische orde.

Omdat Noach en zijn zonen de enige overlevenden van de zondvloed waren, moet deze tijdrekening als erfgoed van de antediluviale wereld worden beschouwd. Via hen bleef deze kennis bewaard tot aan de Babylonische spraakverwarring (Gen. 11), waarna zij zich over verschillende culturen verspreidde.

4. Babel en de verspreiding van astronomische kennis

De spraakverwarring te Babel leidde tot culturele en taalkundige diversiteit, maar zij impliceert geen verlies van alle bestaande kennis. Integendeel: de verschillende volkeren namen een gedeeld verleden mee, inclusief basisinzichten in tijdrekening, meetkunde en astronomie.
Dat vrijwel alle oude beschavingen aanvankelijk uitgaan van:

  •  een jaar van 360 dagen,
  • een cirkel van 360 graden,
  • en een duodecimale of sexagesimale structuur,

wijst op een gemeenschappelijke oorsprong. Binnen dit kader is het aannemelijk dat de vroegste mensheid — reeds vanaf Adam — begreep dat een volledige omwenteling (hemel of cirkel) als eenheid kon worden opgevat en in gelijke delen verdeeld, overeenkomstig het aantal dagen in een jaar.

5. Adam, waarneming en de cirkel van 360 graden

Genesis presenteert Adam niet als primitief, maar als een mens geschapen naar Gods beeld, geplaatst in een wereld die hij moest kennen, benoemen en beheren. De regelmaat van zon, maan en sterren, gecombineerd met een jaar dat zich probleemloos in twaalf gelijke maanden liet verdelen, maakte het mogelijk om een cirkelvormige hemelorde te begrijpen als een geheel van 360 eenheden.
De koppeling tussen:

  • het dagelijkse draaien van de hemel,
  • het jaarlijkse verloop van de zon,
  • en de abstracte verdeling van een cirkel,

is daarmee geen latere wiskundige vondst, maar kan worden gezien als een directe afgeleide van vroege astronomische observatie binnen een stabiele scheppingsorde. In  een jaar van 360 dagen schuift de zon immers per dag 1 º op ten opzichte van de dierenriem.

6. Tijd als ordeningsprincipe voor de mens

In de Bijbel is tijd nooit neutraal. Zij dient:

  • om te onderscheiden (dag en nacht),
  • om te ordenen (vaste tijden),
  • en om te groeien (geschiedenis, belofte, vervulling).

Vanaf Genesis tot Openbaring loopt tijd als een rode draad: zij heeft een begin, een doel en een voltooiing. De astronomische klok uit Genesis 1:14 vormt daarbij het eerste, concrete instrument waarmee de mens leert leven binnen Gods orde. 
En als zodanig kunnen we de Bijbel gebruiken als een ruggengraat voor de geschreven geschiedenis?

De Bijbel als ruggengraat van de geschreven geschiedenis

De Bijbel kan niet zonder meer worden gebruikt als een volledige vervanging van seculiere geschiedschrijving, maar hij kan wél functioneren als een chronologische en conceptuele ruggengraat voor de vroegste menselijke geschiedenis. Daarmee wordt bedoeld:

Een doorlopende tijdslijn:

De Bijbel biedt vanaf Genesis een onafgebroken narratief: schepping → zondeval → zondvloed → herbevolking → Babel → aartsvaders → Israël → Christus. Voor de periode vóór het tweede millennium v.Chr. bestaat er buiten de Bijbel geen vergelijkbaar, intern consistent historisch raamwerk.

Interne chronologische "ankerpunten"

Bijbelse gebeurtenissen zijn vaak gekoppeld aan:
leeftijden en generaties,
astronomisch meetbare tijdseenheden (dagen, maanden, jaren),
uitzonderlijke kosmische of natuurlijke gebeurtenissen (zondvloed, duisternis, seizoenen).
Dit maakt het mogelijk om een relatieve chronologie te construeren, zelfs wanneer absolute datering onzeker blijft.
Samenhang met externe gegevens Op meerdere punten blijkt de Bijbelse tijdslijn te corresponderen met:

  • archeologische breuken (overstromingslagen, cultuurwissels),
  • universele motieven in oude culturen (360-dagenkalenders, zondvloedtradities, verspreide talen),
  • vroege astronomische en meetkundige conventies.

De Bijbel fungeert hier niet als losstaande bron, maar als ordenend kader waarbinnen externe data geïnterpreteerd kunnen worden.

Methodologische precisie 

De Bijbel wordt gebruikt als primair historisch raamwerk voor de vroege geschiedenis, terwijl archeologie, astronomie en vergelijkende cultuurstudies dienen als secundaire, toetsende disciplines.
Dat is methodologisch niet uitzonderlijk. Ook de Egyptische koningslijsten, Mesopotamische kronieken of Romeinse annalen functioneren in andere contexten op exact dezelfde manier. Natuurlijk zijn niet alle teksten even onbevooroordeeld geschreven. Nauwkeurige studie zal moeten uitwijzen wat de Waarheid is. 

Waarom dit vooral geldt voor de oudste geschiedenis

Voor perioden:
  • na ca. 1500 v.Chr.: veel parallelle bronnen → kruisverificatie mogelijk
  • voor ca. 2500 v.Chr.: extreem schaars bronnenmateriaal
Juist daar is de Bijbel uniek doordat hij:
  • een coherente verhaallijn biedt,
  • generaties expliciet verbindt,
  • en tijd niet mythisch maar lineair presenteert,
  • maar vooral omdat de Schepper voor een duidelijke norm heeft voorzien!

Dat maakt Genesis geen mythe in klassieke zin, maar een oergeschiedenis met theologisch perspectief.

Relatie tot tijd en de astronomische klok

In deze benadering krijgt dit een extra laag:

  • De Bijbel veronderstelt een stabiele astronomische orde (Gen 1:14)
  • Hij documenteert een consistente tijdrekening (Noach, 360 dagen)
  • Hij registreert breuken (Babel, latere kalenderaanpassingen)
  • En hij plaatst geschiedenis binnen Gods tijdsplan (Gal. 4:4)

Daarmee wordt de Schrift niet alleen een religieuze tekst, maar ook een structurerend historisch document.

Slotformulering

De Bijbel kan, mits zorgvuldig en kritisch gelezen, dienen als ruggengraat van de geschreven geschiedenis van de mensheid. Niet omdat hij alle details levert, maar omdat hij een samenhangend tijdsraamwerk biedt waarin gebeurtenissen, culturen en breukmomenten betekenisvol kunnen worden geordend.
Bij dit alles mogen we aanmerken dat de Joodse schrijvers met grote eerbied en nauwkeurigheid de Heilige Schrift hebben gekopieerd. Hiermee is de Bijbel een aangewezen basis voor de geschreven geschiedenis van de mensheid.