
Jaren met 360 dagen
Een belangrijk uitgangspunt voor het onderzoek naar de oorspronkelijke astronomische kalender is het chronologische relaas van de zondvloed in Genesis 6–10. Dit gedeelte van de Bijbel onderscheidt zich door een uitzonderlijke precisie in tijdsaanduidingen: dagen en maanden worden systematisch vermeld, wat het mogelijk maakt de interne tijdrekening van de tekst te reconstrueren. In functionele zin kan dit Bijbelgedeelte worden opgevat als een logboek van de reis met de ark.
Hoewel er geen fysiek kleitablet is teruggevonden dat ondubbelzinnig als zodanig kan worden geïdentificeerd, heeft P.J. Wiseman in de twintigste eeuw een invloedrijke tekstkritische theorie ontwikkeld die stelt dat Genesis voor een groot deel is samengesteld uit oudere, geschreven bronnen. Volgens deze theorie markeren bepaalde vaste formuleringen in Genesis zogeheten colofons, afsluitende notities die in de oud-oosterse wereld kenmerkend waren voor allerhande teksten, vastgelegd op kleitabletten.
Binnen dit kader wordt Genesis 6:9a — “Dit zijn de generaties van Noach” — door Wiseman niet geïnterpreteerd als een titel die volgt, maar juist als een colofon dat afsluit wat eraan voorafgaat. Het daaropvolgende tekstgedeelte, van Genesis 6:9b tot en met Genesis 10:1, vormt volgens deze benadering een samenhangende documenteenheid. Genesis 10:1 (“Dit zijn de geslachten van de zonen van Noach…”) fungeert dan als de afsluiting van dit verslag en markeert de overgang naar een nieuw tekstblok. In deze lezing kan het zondvloedverhaal zelf worden opgevat als de inhoud van een chronologisch verslag, opgesteld door de zonen van Noach (wie zou het anders doen? Ten tijde van het schrijven waren zij de enige mensen).
Deze interpretatie krijgt extra gewicht door de aard van de tijdsaanduidingen in dit tekstgedeelte. De zondvloed begint volgens Genesis 7:11 “in het zeshonderdste jaar van Noachs leven, in de tweede maand, op de zeventiende dag van de maand”. Vervolgens wordt vermeld dat “de wateren de overhand hadden op de aarde, honderdvijftig dagen” (Gen. 7:24). Daarna rust de ark “in de zevende maand, op de zeventiende dag van de maand” (Gen. 8:4). De periode tussen deze twee expliciete datums bedraagt precies vijf maanden.
Wanneer deze gegevens met elkaar worden vergeleken, blijkt dat vijf maanden gelijkgesteld worden aan honderdvijftig dagen. Dit impliceert een vaste maandlengte van dertig dagen. Deze conclusie wordt niet ingevoerd door externe aannames, maar volgt rechtstreeks uit de interne consistentie van de tekst. De Bijbel hanteert hier dus een eenduidige en stabiele maanddefinitie.
Het Hebreeuwse woord dat in deze passages met “maand” wordt vertaald (chódesh) versterkt dit beeld. Dit woord is etymologisch verbonden met het vernieuwen of verschijnen van de maan en wordt zowel gebruikt voor de kalendermaand als voor de fysieke maancyclus zelf. De maand is in dit relaas dus geen abstracte tijdseenheid, maar direct gekoppeld aan de waarneembare stand van de maan aan de hemel. Dit wijst op een waarnemingsgerichte kalender die functioneert binnen een astronomisch kader.
De chronologie in Genesis 8 bevestigt deze structuur verder. Het afnemen van het water wordt opnieuw beschreven met expliciete dag- en maandvermeldingen, zonder dat er sprake is van extra (schrikkel)dagen of correcties. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het jaar dat aan dit logboek ten grondslag ligt logisch bestaat uit twaalf maanden van dertig dagen, samen goed voor een jaar van 360 dagen.
Opvallend is dat deze tijdrekening wordt toegepast zonder enige aanwijzing van onzekerheid of noodzaak tot bijstelling. De kalender functioneert als een vanzelfsprekend en stabiel systeem, wat goed aansluit bij het beeld van de astronomische klok uit Genesis 1:14, waarin dag, maand en jaar rechtstreeks uit de hemel worden afgelezen. De tekst veronderstelt geen historische jaartelling, maar een cyclische tijdsorde die geschikt is voor het volgen van natuurlijke processen.

Samenvattend laat het zondvloed-relaas, gelezen in het licht van de Wiseman-theorie, zien dat Genesis gebruikmaakt van een vaste en astronomisch georiënteerde kalender waarin:
- een maand dertig dagen telt,
- vijf maanden overeenkomen met honderdvijftig dagen,
- en een jaar consequent wordt opgevat als 360 dagen.
Deze conclusies zijn volledig gebaseerd op de interne structuur en het taalgebruik van de Bijbeltekst zelf en vormen daarmee een solide fundament voor het verdere onderzoek naar de oorspronkelijke astronomische klok.
De originele schepping met haar perfecte harmonie: een jaar van precies 360 dagen, verdeeld in 12 maanden van 30 dagen, toont ons dat alles was zorgvuldig afgestemd om een veilige en vruchtbare habitat voor de mens te vormen. Elk seizoen, elke dag en elke nacht volgde voorspelbaar op elkaar, een meesterlijk ontwerp waarin arbeid, rust, natuur en tijd in perfecte balans samenkomen. Zo toont de schepping niet alleen schoonheid, maar vooral de wijsheid en zorg van de Schepper, die een wereld maakte waarin het leven optimaal kan floreren. En hierdoor kan een ieder, die zich wil aansluiten bij het koninkrijk Gods, een glimp pntvangen van de ons beloofde nieuwe aarde en nieuwe hemel.
Opb 21:1 En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer.
Deze orde wijst zonder meer naar exceptioneel intelligent design.
