Kleitabletten verslag van directe getuigen
Intro
Genesis is in de eerste plaats een familiedocument. Het houdt de stamboom bij van één geslacht, van Adam tot de zonen van Jakob, met de nauwkeurigheid van iemand die weet dat zijn kinderen ermee verder moeten. Wie zo'n stuk bijhoudt staat tegelijk in drie rollen, en wij menen dat juist die drie samen het verslag zijn eigen gewicht geven.
Drie rollen in één persoon
Ooggetuige is wie het zag gebeuren, figurant is wie er zelf in voorkomt en soms tegen zijn eigen voordeel, en eigenaar is wie het stuk beheert en aan de volgende generatie doorgeeft.
Die drie vallen niet samen, en wij houden ze daarom uitdrukkelijk apart. De colofon onderaan een deel noemt de eigenaar en niet het onderwerp, zodat de tegenwerping "maar dit gaat toch niet over hem" naast de kwestie valt. Wie een document in handen krijgt is daarmee trouwens nog geen ooggetuige van wat erin staat.
Het laatste deel van Genesis, dat van Jozef, toont de drie naast elkaar. Juda is er figurant in, in een hoofdstuk dat hem geen eer doet:
Toen herkende Juda ze en hij zeide: Zij staat tegenover mij in haar recht, omdat ik haar niet aan mijn zoon Sela heb gegeven. (Ge. 38:26, NBG)
Jozef is ooggetuige van wat niemand anders kon zien, het gevangenhuis en het hof van de farao. En de eigenaar staat er vlak vóór: het deel dat aan dit Jozefverslag voorafgaat, sluit met de naam van zijn vader Jakob (Ge. 37:2a).
Het motief van de familie
Waarom zou zo'n familie de moeite doen om nauwkeurig te zijn? Een koningskroniek vleit de koning, want zij is gemaakt om hem groot te maken; na zijn dood hoeft zij niemand meer te dienen. Een familieregister heeft een andere opdracht: de volgende generatie bewijst er afkomst, land en erfrecht mee. Wie in zo'n stuk een naam of een jaartal verzint, bedriegt daarmee zijn eigen (klein)kinderen.
⚠️ Dat is geen bewijs van betrouwbaarheid, want het verklaart een neiging en geen uitkomst. Ook een familieoverlevering kan haar stamvader mooier maken dan hij was. Wat dit motief wél doet, is het gangbare bezwaar verzwakken dat oude geschiedschrijving per definitie propaganda is.
De schrijvers op een rij
De reeks ziet er zo uit: Adam en zijn nakomelingen legden de vroegste geschiedenis vast, de zonen van Noach het verslag van de vloed, Terach een geslachtsregister, en daarna stelden Isaak, Jakob en Esau hun eigen familiegeschiedenis op schrift.
⭐ Van Abraham is er geen eigen geschrift, wat in dit dossier geen zwakte is maar een aanwijzing. Zijn leven staat in het deel dat met de naam van zijn zoon Ismaël is afgesloten, in Ge. 25:12. Anders kan het ook niet, want een colofon kan niet gezet worden door de man wiens dood en begrafenis in datzelfde deel staan. Abraham sterft in Ge. 25:8, waarna het volgende vers zijn begravers noemt:
En zijn zonen Isaak en Ismaël begroeven hem in de spelonk van Makpela, in het veld van Efron, de zoon van de Hethiet Sochar, dat tegenover Mamre gelegen is, (Ge. 25:9, NBG)
Dat zijn precies de twee mannen wier colofons kort daarna volgen, in Ge. 25:12 en Ge. 25:19, zodat de begrafenis van de vader in het deel van de zonen terechtkomt. Wie de formules juist als opschriften leest, stoot op hetzelfde gemis langs een andere weg: dan valt Abrahams leven onder het opschrift van zijn vader Terach. Wie Abraham alsnog in de lijst van schrijvers zet, gooit dat argument weg.
Sporen van een verslaggever
Een ooggetuige laat sporen achter die een verteller niet nodig heeft. Welke sporen zijn dat? In Genesis zijn er drie soorten van aanwijsbaar.
Overbodige nauwkeurigheid. Het vloedverslag is gedateerd als een scheepsjournaal, tot op de dag van de maand waarop het water doorbrak.
In Noachs zeshonderdste levensjaar, in de tweede maand, op de zeventiende dag der maand, op die dag braken alle kolken der grote waterdiepten open en werden de sluizen des hemels geopend. (Ge. 7:11, NBG)
Daarbij komen de maten van de ark in ellen, een dieptepeiling van vijftien ellen boven de bergen en het duivenrelaas met zijn zeven dagen wachten. Wie het bestaan van de ark alleen maar wil betogen, noemt geen zevenentwintigste dag van de tweede maand!
Kennis die bij de plaats hoort. Bij de bouw van Babel legt de schrijver uit dat men daar tichels bakt in plaats van steen te houwen, met asfalt waar een ander leem zou nemen. Dat is precies de bouwpraktijk van Mesopotamië, waar geen bouwsteen voorhanden is. Zo'n terzijde is alleen nodig voor een lezer die het anders gewend is, en dus voor iemand die elders woont dan de man die het opschreef.
Materiaal dat de bewaarder schaadt. Dit derde spoor is het scherpste van de drie, want het vloedtablet staat op naam van de drie zonen van Noach en het bevat de dronkenschap van hun vader met het wangedrag van een van henzelf.
Toen hij van de wijn gedronken had, werd hij dronken en hij ontblootte zich in zijn tent. (Ge. 9:21, NBG)
Wie een stamdocument opstelt om aanzien te vestigen, laat dit weg. Dat het er zo kaal staat, wijst op vastlegging door iemand die aan dat aanzien niet dacht.
⚠️ En nu de eerlijke maat. Van de twaalf delen dragen er vijf deze toets, één gedeeltelijk, en zes leveren niets op. Die zes zijn op één na allemaal registers, en een geslachtslijst kan naar haar aard geen ooggetuigesignatuur dragen, omdat er in een rij namen en jaartallen niets te beschrijven valt. Wij zeggen dus niet dat elk tablet de sporen van een ooggetuige draagt. Wij zeggen: waar er iets te beschrijven viel, draagt de tekst de kenmerken van verslaggeving.
Geen onaangeroerde tekst
Soms wordt aangevoerd dat Genesis geen latere woorden bevat, en wij laten die bewering liever vallen, omdat de zaak er zonder haar beter voor staat. Twaalf keer is er bij een plaatsnaam de nieuwe naam genoteerd, dat is Hebron, dat is Bethel, waarbij zo'n toevoeging niet van de aartsvader zelf kan komen. De overlevering bewaarde dus en voegde toe in plaats van te vervangen. Zo'n naspeurbare bemoeienis is beter dan onveranderlijkheid, want zij laat zich nagaan!
Wat wél meetbaar is en de andere kant op wijst, is één woord dat ontbreekt. De Filistijnen van de ijzertijd worden in de Hebreeuwse Bijbel eenentwintig keer aangeduid met H5633 סֶרֶן (seren, vorst), hun vijf stadsvorsten. In Genesis staat dat woord geen enkele keer.
Eens kwam er een hongersnood in het land, behalve de eerste hongersnood, die er geweest was in de dagen van Abraham; en Isaak ging naar Abimelek, de koning der Filistijnen, naar Gerar. (Ge. 26:1, NBG)
Daar staat dus een koning te Gerar, en niet een van de vijf stadsvorsten van de pentapolis uit de ijzertijd. Zou een late schrijver dat verschil volhouden? Wie een latere toestand terugprojecteert, gebruikt juist het woord van zijn eigen tijd. ⛔ Daaruit volgt niet dat de naam Filistijn in Genesis oorspronkelijk is, want de samensteller kan die hebben bijgewerkt zoals hij twaalf plaatsnamen bijwerkte. Wat het wel doet, is de beschuldiging van anachronisme verzwakken.
Besluit
Een familie die haar eigen stamboom bijhoudt, schrijft anders dan een hofdichter. Zij noteert data die niemand later nodig heeft, zij laat staan wat haar niet vleit, en haar stuk gaat naar de erfgenaam die er zijn rechten aan ontleent. Dat zijn de kenmerken die wij in Genesis terugvinden, en daarom nemen wij dit boek als verslag en niet als vertelling.
Hoe het archief uiteindelijk één boek werd, staat in Het archief van Jozef. Wat Wiseman daarover voorstelde en wat hij openliet, staat op De kleitabletten van Wiseman.
Referenties
- P.J. Wiseman, Ontdekkingen over Genesis. Het eerste Bijbelboek in het licht van het archeologisch onderzoek, Jan Haan N.V., Groningen, 1960 (Nederlandse vertaling van New Discoveries in Babylonia about Genesis, 1936)
- De telling van seren is een eigen meting op de Hebreeuwse tekst van de Westminster Leningrad Codex, met de morfologische codering van het Open Scriptures Hebrew Bible
- Bijbeltekst: NBG1951 (afgekort NBG), tenzij anders vermeld
