
Wie was Murphy?
Het verhaal, de betekenis en de werkelijkheid erachter
Edward Aloysius Murphy Jr. (1918–1990) was geen filosoof of grappenmaker, maar een ingenieur en luchtmachtofficier die werkte op het scherp van de snede van de Amerikaanse technologie.
De beroemde anekdote
De beroemde anekdote
Na de Tweede Wereldoorlog hield hij zich bezig met experimenten waarin piloten aan extreme G-krachten werden blootgesteld. Tijdens één van die experimenten in 1949 ging het volledig mis: alle sensoren waren verkeerd aangesloten, waardoor de hele test waardeloos was. Murphy reageerde geïrriteerd met de woorden: “If there is any way to do it wrong, he will.” Zijn team vertaalde dat in de bredere, inmiddels wereldberoemde uitspraak:
“If anything can go wrong, it will.”
Deze zin verspreidde zich razendsnel, niet omdat hij grappig was, maar omdat ingenieurs overal ter wereld hem onmiddellijk herkenden als pijnlijk waar.
Niet geaccepteerd in de wetenschap!?!
Hoewel Murphy’s Wet vaak als een grapje wordt gepresenteerd, heeft ze in de praktijk een stevige basis in de realiteit van kans, risico en systeemcomplexiteit. In complexe systemen zijn er altijd talloze manieren waarop iets mis kan gaan. Hoe meer onderdelen, interacties en stappen een systeem bevat, hoe groter de kans dat er ergens een fout optreedt. Dat lijkt alsof “alles fout gaat”, maar het is simpelweg de logica van statistiek en complexiteit. Toch wordt Murphy’s Wet in de wetenschappelijke wereld niet gezien als een echte natuurwet, men heeft een aantal uitvluchten: ze is te algemeen, niet falsifieerbaar en geeft geen oorzakelijke verklaring. In de industrie leeft ze echter als een buitengewoon bruikbare waarschuwing — een gids voor degelijke engineering.
Statistisch fundament
Niet wetenschappelijk, maar toch een fundament in de industrie!
In vrijwel elke moderne industrie vormt de geest van Murphy’s Wet het fundament van betrouwbaar ontwerp. Luchtvaart, ruimtevaart, automobielbouw, softwareontwikkeling en gezondheidszorg vertrouwen allemaal op systematische foutanalyse om risico’s te minimaliseren. Procedures zoals FMEA (Failure Mode and Effects Analysis) en FTA (Fault Tree Analysis) zijn ontstaan vanuit dezelfde gedachte: inventariseer elke denkbare oorzaak voor een fout, analyseer haar gevolgen en ontwerp het systeem zo dat de fout niet kan optreden = neem elke vorm van toeval weg zodat het systeem bestand is tegen menselijke en technische missers. In de automobielindustrie zijn R&D-teams voltijds bezig met het analyseren van mogelijke fouten, ze te documenteren en te voorzien van grenswaarden waarbinnen de functie foutloos is. Dit gebeurt met allerlei technieken waarmee grenzen worden opgezocht: levensduurtesten, verhoogde druk, verhoogde spanning, temperatuurschokken, nabootsen van agressieve omstandigheden, enz,. Zelfs software-updates zijn een direct gevolg van dit principe: zodra intensief gebruik nieuwe fouten blootlegt, moet er een verbeterde versie komen.
Hoe je ze ook noemt, R&D-afdelingen vind je in de nabijheid van elke productieomgeving. Het zijn de mensen die de productie optimaliseren zodat foutloze producten worden geproduceerd met zo weinig mogelijk uitval.
Vooraleer we een besluit formuleren, moeten we toch nog even stellen dat het ontwerp van een product en de begeleiding van een productie taken zijn voor intelligente ingenieurs die weten waar ze mee bezig zijn en de natuurwetten beheersen. We moeten dus niet enkel het toeval uitsluiten, we hebben ook nood aan informatie en intelligentie om de informatie in de praktijk te brengen.

Besluit
De essentie van Murphy’s Wet is dus géén pessimisme, maar een filosofie van verantwoordelijkheid: fouten zullen onvermijdelijk optreden — zorg dat je ze voor bent. Daarmee werd Murphy’s uitspraak een wereldwijde standaard in mission-critical engineering.
En juist dit vormt een scherp contrast met de evolutietheorie, die stelt dat complexe biologische systemen spontaan kunnen ontstaan door blind toeval, mutaties en selectie — zonder voorafgaand doel, zonder planning, zonder foutenanalyse. De dagelijkse realiteit van ingenieurs laat echter iets geheel anders zien: complexiteit vereist intelligentie, vooruitdenken en nauwkeurig ontwerp. Waar toeval regeert, ontstaan fouten; waar intelligentie werkt, ontstaat functionaliteit.
Natuurlijk moeten we ons ook de vraag stellen of biologen hun theorie ook kunnen bewijzen, zoals de industrie dat kan. En hier wringt het schoentje wel degelijk! Het statement van de biologen is tot nu toe niet bewezen. Een industrie die zich niet bewijst zal snel failliet gaan en ophouden te bestaan.
Murphy’s erfenis is daarom veel meer dan een cynische oneliner. Het is een herinnering dat toeval nooit een architect is van complexe systemen — niet in de luchtvaart, niet in de softwarewereld en ook niet in de natuur. Zijn wet leert dat betrouwbaarheid niet spontaan ontstaat, maar voortkomt uit doelgericht denken. In de moderne techniek is dat een vanzelfsprekendheid geworden; wellicht verdient het in ons denken over de oorsprong van het leven dezelfde plaats.
Het filosofisch denkkader voor de evolutietheorie werkt enkel met materie en energie, dat blijkt niet te lukken, dus moeten we overschakelen naar een denkkader waar ook informatie en intelligentie een rol spelen, en waarbij er GEEN ruimte is voor louter toeval. De evolutie van het filosofische wereldbeeld schetst ons voorstel om dat te doen.
