Skip to main content

Het archief van Jozef

Intro

Wie heeft Genesis bijgehouden? Wij beginnen niet bij de schepping maar bij de man die er het laatst bij kwam, omdat juist zijn deel van het boek het meeste prijsgeeft over de manier waarop het is ontstaan.

Een onderkoning met schrijvers

Jozef staat op zijn dertigste voor de farao en krijgt daarmee het hele land Egypte onder zich.

Voorts zeide Farao tot Jozef: Zie, ik stel u aan over het gehele land Egypte. (Ge. 41:41, NBG)

Hij is vanaf dat ogenblik de tweede man na de koning, en omdat hij pas op zijn honderdtiende sterft, heeft hij tachtig jaar in die positie. Ergens in het midden daarvan komt zijn vader Jakob naar Egypte, zodat vader en zoon elkaar terugzien na ongeveer twintig jaar scheiding.

Wat gebeurt er dan? Twee mannen die elk de helft van een familiegeschiedenis kennen, zitten avond na avond bij elkaar, terwijl de een schrijvers in dienst heeft en de ander de geschriften meebrengt die zijn vaders en grootvaders hebben nagelaten.

Dat is het ogenblik waarop Genesis als boek kan ontstaan: niet doordat een schrijver eeuwen later een mondelinge overlevering optekent, maar doordat iemand met macht en met materiaal een archief laat kopiëren en ordenen.

⚠️ Deze voorstelling is een gevolgtrekking van ons, want Genesis zegt nergens dat Jozef het boek samenstelde. Wij vragen alleen welke verklaring het beste past bij wat er wél in de tekst staat, en daarvan volgen nu vier gevallen.

Het hoofdstuk van Juda

Jozef is verkocht en naar Egypte gebracht.

De Midjanieten nu verkochten hem naar Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, de overste der lijfwacht. (Ge. 37:36, NBG)

Daarna volgt een heel hoofdstuk over Juda en Tamar, dat zich in Kanaän afspeelt, over tientallen jaren loopt en Jozef niet eens noemt. Hij zit in Egypte, dus hij kan er onmogelijk iets van geweten hebben. Dan pakt het verhaal de draad weer op bij precies de scène waar het was opgehouden.

Jozef nu werd naar Egypte gebracht; en Potifar, een hoveling van Farao, de overste der lijfwacht, een Egyptenaar, kocht hem van de Ismaëlieten die hem daarheen gebracht hadden. (Ge. 39:1, NBG)

Welke verteller zet daar een hoofdstuk tussen dat zijn eigen hoofdpersoon niet kent? Wij kennen er geen. Een samensteller die opneemt wat de aanwezigen hem aanleveren, doet juist dat, want Juda was er zelf bij in Egypte toen de broers graan kwamen kopen. Zijn verhaal gaat erin zoals hij het die avond deed.

Daarmee vraagt het Jozefblok drie verschillende ooggetuigen. Hoofdstuk 38 kan alleen van Juda komen, de hoofdstukken 39 tot 41 alleen van Jozef zelf omdat hij alleen in de gevangenis zat, en wat Jakob zich herinnert van Luz en van de dood van Rachel gaat terug tot vóór Jozefs geboorte.

En Jakob zeide tot Jozef: God, de Almachtige, is mij verschenen te Luz in het land Kanaän en heeft mij gezegend (Ge. 48:3, NBG)

Drie stemmen in één blok, elk met zijn eigen blikveld: dat is wat een verslag van aanwezigen oplevert.

Zes sterfberichten op hun plaats

Genesis valt uiteen in twaalf stukken, waarvan elf worden afgesloten met dezelfde formule, dit is de geschiedenis van, met een naam erachter. Wie de tekst daarop naloopt, stuit op een regelmaat die niemand opzettelijk zou aanleggen. Een latere schrijver had daar geen enkele reden toe.

Van zes van die mannen staat het sterfbericht niet in hun eigen stuk maar in het volgende, wat ook te verwachten is, want wie zijn naam onder een geschrift zet, kan zijn eigen dood er niet meer in opnemen. Het twaalfde stuk bevat als enige de dood van zijn hoofdpersoon, terwijl het tegelijk het enige is zonder afsluitformule.

En Jozef stierf, honderd en tien jaar oud, en men balsemde hem, en hij werd in een kist gelegd, in Egypte. (Ge. 50:26, NBG)

Daar houdt de reeks op, omdat er niemand meer is om de volgende regel te schrijven.

Twee begrafenissen met namen

Op dit punt doet de tekst iets wat wij moeilijk anders uitgelegd krijgen, en wij hebben het geprobeerd. Abraham sterft, en er staat uitdrukkelijk bij wie hem begraaft.

En zijn zonen Isaak en Ismaël begroeven hem in de spelonk van Makpela, in het veld van Efron, de zoon van de Hethiet Sochar, dat tegenover Mamre gelegen is, (Ge. 25:9, NBG)

Twee zonen dus, en wie verder leest vindt kort daarna twee afsluitformules die op naam van precies die twee staan: eerst Ismaël in 25:12, dan Isaak in 25:19.

Een generatie later gebeurt hetzelfde. Isaak wordt begraven door Esau en Jakob (Ge. 35:29), waarna de twee volgende formules op naam van Esau staan (36:1) en van Jakob (37:2a). Tweemaal dus dezelfde gang van zaken: de vader gaat heen, zijn zonen leggen hem in het graf, en daarna sluit ieder van hen zijn eigen geschrift af!

Zo ziet een familiearchief eruit. De stamboom werkt als een geboorteakte die aan álle kinderen wordt doorgegeven, ieder met zijn eigen stuk eraan toegevoegd. Dat is geen bibliotheek met één exemplaar, wat voor de overlevering alles uitmaakt: zoiets gaat niet verloren wanneer er één huis afbrandt.

Het boek van Adam

Elf keer staat er dit is de geschiedenis van, en één keer staat er iets anders.

Dit is het geslachtsregister van Adam. Ten dage, dat God Adam schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods; (Ge. 5:1, NBG)

Waar de NBG geslachtsregister heeft, staat in het Hebreeuws סֵפֶר, boek, en de Statenvertaling geeft dat ook zo weer: dit is het boek van Adams geslacht. Van de elf formules is dit de enige met dat woord erin. Dat weegt zwaar: hier spreekt de tekst zélf over een geschrift, op precies de plaats waar het verslag van de eerste mens wordt afgesloten. De Griekse vertaling uit de derde eeuw voor Christus las het er ook al, zodat het woord er minstens tweeëntwintig eeuwen staat.

Het rekenwerk van Genesis 5

Dat boek van Adam is geen namenlijst. Het is een boekhouding, en dáárin ligt het tweede argument.

Toen Adam honderd dertig jaar geleefd had, verwekte hij een zoon naar zijn gelijkenis, als zijn beeld, en noemde hem Set. (Ge. 5:3, NBG)

Diezelfde drie getallen komen bij elke generatie terug: de leeftijd bij de verwekking, het aantal jaren dat daarna nog volgde, en ten slotte het totaal. Tien keer achter elkaar, van Adam tot Noach. Wie de keten doorrekent komt uit bij het zeshonderdste levensjaar van Noach, het jaar waarin de vloed losbreekt.

⚠️ Dat jaartal zelf staat er niet. Het is onze optelsom, die zestienhonderdzesenvijftig jaar geeft tussen de schepping en de vloed. Wat in de tekst staat zijn de losse getallen; de som is van de lezer.

Waarom vraagt juist die som dan om een notitieboek? Hier ligt het verschil met de sterrenhemel. Op dag vier krijgen de lichten de taak van tijdsaanwijzing, dus zij leveren de maat: de dag, de maand, het jaar. De telling leveren zij echter niet, want die staat in deze geslachtslijsten.

Daar komt bij dat die maat niet van de mens is. Op dag één noemt God het licht dag en de duisternis nacht, op dag vier krijgen de lichten hun taak, en de mens komt pas op dag zes. Het instrument was er dus vóór de gebruiker, in een volgorde die in de tekst niet om te keren valt. Genesis schrijft de tijdsmeting nergens aan menselijke vindingrijkheid toe, en stelt haar in vóór er een stad, een tempel of een bestuur bestaat. Dat is opmerkelijk, want de kalenders van de buurvolken komen juist daarvandaan: uit de tempeladministratie van een stad, met een koning die besliste wanneer er een maand werd bijgeschoven.

Een maat kun je in je hoofd houden. Wie wil weten hoe de maan loopt, kijkt een paar jaar en kent haar. Een doorlopende optelling over zestien eeuwen is iets anders. Dat is geen kennis die je onthoudt maar een stand die je bijhoudt, generatie na generatie, en zoiets gaat zonder aantekening mis.

⭐ En nu het punt waar de twee dingen samenkomen. De énige plaats in Genesis waar de tekst over een boek spreekt, staat precies aan het slot van het document dat deze getallen bevat. Dat blijft een samenloop en geen bewijs, maar het is wel een samenloop die ergens op lijkt te wijzen.

⛔ Eén ding is eerlijk te melden. Genesis zegt nergens dat iemand dit opschreef. In de hele Bijbel staat geen enkele plaats die over schrijven vóór de vloed spreekt. Ge. 5:1 is het enige aanknopingspunt dat er is, en de rest is onze verklaring voor wat er wél staat.

Het eerste deel apart

Dan blijft er één vraag over, namelijk wie het deel afsluit dat vóór Adam staat. Daar vraagt de lezer vanzelf naar, zodat het antwoord op die vraag de nodige voorzichtigheid verdient.

Het eerste deel loopt van Ge. 1:1 tot 2:4a en wordt afgesloten met de enige formule die geen persoon noemt.

Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde, toen zij geschapen werden. (Ge. 2:4, NBG)

Als opschrift boven een geslachtslijst is die zin zinledig, want hemel en aarde verwekken niets. Als afsluiting van een verslag over de schepping van hemel en aarde klopt hij precies. Toch levert hij geen eigenaar, omdat hemel en aarde niets kunnen bezitten en niets kunnen schrijven. Daarom wordt dit deel bij Wiseman het tablet van God genoemd.

⚠️ Hier moeten wij uitdrukkelijk langzamer gaan lopen. De dagen één tot vijf kunnen per definitie niet op menselijke waarneming teruggaan, want er was geen mens. De bewijskracht van dit deel is dus van een andere soort dan die van het deel van Adam, van Noach of van Sem, en wij strijken dat verschil niet glad.

Wat er wel bij hoort: de mens wordt geschapen op dag zes, en de laatste gebeurtenis van het deel is de sabbat van dag zeven. Adam was er dus bij, en hij leefde er negenhonderddertig jaar mee. Zijn eigen schepping staat erin zoals de eerste inschrijving in een geboorteakte.

Eén meting ondersteunt die aparte plaats. Op gelijke lengte gerekend heeft dit deel de kleinste woordenschat van alle twaalf: ongeveer honderd verschillende woorden, waar de verhalende delen op honderdzestig tot tweehonderdtwintig liggen. Het ligt daarmee vlak bij de geslachtsregisters, wat past bij een tekst die met vaste formules werkt: en God sprak gevolgd door en het was zo.

⛔ Wat wij hier niet beweren, is dat God het schrift aan Adam gaf en dat dit deel het eerste schoolboek was. Die gedachte staat op onze oudere pagina's en zij is van ons, niet van Wiseman, die uitdrukkelijk openlaat hoe het eerste geschrift ontstond. Genesis zegt het ook nergens. Wij houden het aan als werkhypothese en niet als gegeven, want in de keten ertoe zit een schakel die wij niet kunnen leveren.

Waar dit verhaal doorloopt

Tot hiertoe ging het over de documenten: wie ze bijhield, waar zij ophouden, en wat de tekst zelf over hun herkomst zegt. Twee vragen blijven daarbij liggen.

De eerste gaat over het schrift. In welke tekens stond zo'n familiearchief, en kon een gezin die doorgeven zonder school? Dat staat op Het schrift van de aartsvaders.

De tweede gaat over de tegenspraak. Wie dit verhaal brengt zonder de bezwaren, levert de criticus zijn werk uit handen. De zes die wij kennen staan op Zes bezwaren tegen de tablettheorie, met de twee die het niet gehaald hebben erbij.

Bronnen

  • Bijbeltekst. NBG1951, in de tekst afgekort als NBG. Waar de Statenvertaling erbij staat, is dat omdat de weergave van het grondwoord verschilt.
  • Over de tablettheorie. P.J. Wiseman, New Discoveries in Babylonia about Genesis, Marshall, Morgan & Scott, 1936. Wiseman draagt Mozes voor als samensteller, zodat Jozef als de meer waarschijnlijke kandidaat onze eigen positie is en niet de zijne. Hoe het schrift ontstond, laat Wiseman uitdrukkelijk open.