Skip to main content

Intro

Bewijst God Zijn zaak zoals een laboratorium dat doet? De vraag lijkt vroom maar zij is gevaarlijk, want het antwoord bepaalt wat wij nog mogen beweren. Wie zegt dat God op een heel andere manier bewijst, kan twee kanten op: naar een sterker inzicht, of naar een uitvlucht waarmee geen enkele meting ons nog kan tegenspreken.

De juiste kern van de gedachte

Vier dingen houden stand, en wij noemen ze hier omdat zij samen de kern van de zaak raken.

Gods gedachten gaan de onze te boven. Dat staat er met zoveel woorden, en wie het wegpoetst doet de profeet geweld aan.

Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten. (Jes. 55:9, NBG)

⚠️ Let wel op waarover dat gaat. Het vers staat in een oproep tot bekering, waar het verschil hierin bestaat dat God vergeeft en een mens dat zou nalaten. Het gaat daar dus over genade en niet over het meten van de werkelijkheid.

Geloof heet in de Schrift zelf een bewijs. Waar wij bewijs lezen in Hebr. 11:1, staat in het Grieks G1650 ἔλεγχος (élenchos, bewijs), een woord dat in de rechtszaal thuishoort.

Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet. (Hebr. 11:1, NBG)

De beslissende vraag is geen proef. Of God bestaat en of Hij de Schepper is, valt met geen enkel herhaalbaar experiment uit te maken, en datzelfde geldt onverkort voor wie het tegendeel beweert.

En de schepping zelf is het bewijsstuk dat iedereen in handen heeft. Paulus zegt daarbij uitdrukkelijk dat Gods kracht en goddelijkheid uit Zijn werken met het verstand doorzien worden (Rom. 1:20), en dus niet buiten het denken om.

Het punt waar zij omslaat

⛔ Hier moeten wij scherp zijn, en wel tegen onszelf. Zeggen dat Gods bewijs van een soort is die geen meting raakt, betekent dat geen enkele meting ons ooit kan tegenspreken. Een bewering die niet kan mislukken, zegt niets.

Dat gevaar is reëel, en wij hebben het in ons eigen dossier ondervonden. Het argument dat men bij de lijkwade van Turijn geen eerste-eeuws doek wílde vinden verklaart beide uitslagen, en daarmee verklaart het er geen enkele. Dezelfde maat geldt wanneer zij ons uitkomt.

Zij botst bovendien met de pagina hiernaast. Daar staat dat de kloof maar enkele centimeter diep is en met studie te dichten valt, terwijl gelovigen juist te weinig moeite doen om de feiten te kennen. Wie daar dan aan toevoegt dat God toch op een andere manier redeneert, haalt die hele pagina onderuit.

Gods eigen rechtsgeding

Hoe gaat God dan wél te werk wanneer Hij iemand wil overtuigen? Het opvallende is dat Hij Zijn zaak niet aan de toetsing onttrekt, want Hij doet juist het omgekeerde.

Hij voert een rechtsgeding. De taal die de profeet Hem in de mond legt, is die van een rechtbank, met bewijsgronden en al.

Brengt uw rechtsgeding voor, zegt de Here; voert uw bewijsgronden aan, zegt de Koning van Jakob. (Jes. 41:21, NBG)

Hij noemt het bewijsmiddel waarop Hij zelf staat, namelijk het van tevoren aanzeggen van wat niemand kan weten, met daarna de vervulling als sluitstuk (Jes. 46:9-10). Jezus doet in Joh. 14:29 precies hetzelfde, want Hij zegt het eerst opdat men gelooft wanneer het gebeurt.

En Hij geeft een regel waarmee Hij ongelijk kan krijgen. Dit weegt het zwaarst van alles.

Als een profeet spreekt in de naam des Heren en zijn woord wordt niet vervuld en komt niet uit, dan is dit een woord, dat de Here niet gesproken heeft. (Deut. 18:22, NBG)

Daar staat een toets met een mogelijke uitkomst tégen de spreker, en wel een criterium dat door God zelf gegeven is. In Mal. 3:10 gaat Hij nog een stap verder: beproeft Mij toch daarmede!

Het Nieuwe Testament houdt die lijn aan, en op een manier die een onderzoeker goed uitkomt. De gemeente te Berea gaat dagelijks de Schriften na of deze dingen zo waren, en krijgt daarvoor een compliment (Hand. 17:11). Paulus vat het samen in drie woorden: toetst alles (1 Tess. 5:21). En Jezus zegt tegen wie Zijn woorden niet gelooft: let dan op wat Ik doe (Joh. 10:38).

De wijsheid van de wereld

⚠️ Eén misverstand moet eruit, want het komt in onze kring vaak voor. De wijsheid van de wereld in 1 Cor. 1 is niet de natuurwetenschap. Paulus heeft het over de redenaarskunst en de wijsbegeerte van zijn eigen tijd, die het kruis belachelijk vonden, en in dezelfde adem over de Joden die een teken eisen. De ongeestelijke mens van 1 Cor. 2:14 kan niet aanvaarden wat van de Geest is, waarmee het ontvangen van geestelijke dingen bedoeld is en niet het aflezen van een thermometer.

Wie die verzen tegen de wetenschap inzet, laat de Bijbel iets zeggen wat er niet staat. Dat kost ons meer dan het opbrengt, want de lezer die het natrekt, gaat ook aan de rest twijfelen.

Datzelfde geldt voor de spanning tussen 1 Cor. 2:14 en Rom. 1:20. Het ene zegt dat de ongeestelijke mens het niet aanvaardt, het andere dat Gods kracht en goddelijkheid voor iedereen uit de werken te doorzien zijn. Dat is geen tegenspraak zodra je ziet dat het over twee dingen gaat: het bestaan en de macht van de Schepper liggen open voor ieders verstand, terwijl het aannemen van wat de Geest geeft iets anders is dan het begrijpen van een redenering.

Drie regels voor ons werk

Welke regels volgen daaruit voor een dossier als het onze? Het zijn er drie, en wij houden ons eraan ook wanneer het ons een argument kost.

  • Waar iets te meten valt, wordt er gemeten, en de uitslag telt ook wanneer zij tegenvalt. Ons besluitenregister houdt bij welke argumenten op die manier zijn ingetrokken.
  • Waar niets te meten valt, wordt dat gezegd, in plaats van het een bewijs van een andere orde te noemen.
  • En Gods eigen bewijsvoering is van het toetsbare soort. Een woord dat vooraf gesproken is en daarna vervuld werd, laat zich nagaan aan wat er werkelijk gebeurd is.

Besluit

God vraagt geen sprong in het duister. Hij vraagt vertrouwen in Iemand die Zijn woord vooraf heeft gegeven, en Hij nodigt uit om dat na te gaan. Dat de bewijslast bij Hem anders ligt dan in een laboratorium, betekent dus niet dat zij lichter weegt dan daar.

Bronnen

  • Bijbeltekst. NBG1951, in de tekst afgekort als NBG.
  • Grondwoord. G1650 ἔλεγχος (élenchos, bewijs), in Hebr. 11:1; de betekenis is ontleend aan de concordantie van Strong.