
De Bijbel een eeuwig boek
Oude oosterse volksverhalen vertellen over een fabelachtige vogel, de feniks. Nadat hij vijfhonderd jaar in Arabië had geleefd, bouwde hij zijn eigen brandstapel, legde zich daarop neer en werd tot as verbrand, waaruit hij weer oprees in de kracht van hernieuwde jeugd. Zo werd hij voor de mensen van weleer het symbool van onsterfelijkheid.
De Bijbel, die door de mens vaak op de brandstapel van wereldse wijsheid is gelegd en door het verzengende vuur van de kritiek tot een schijnbare hoop as is gereduceerd, is, net als de feniks, even vaak weer opgestaan in de onverminderde kracht van een eeuwige jeugd. Er is één reden, en slechts één, die hiervoor een afdoende verklaring biedt. Namelijk dat de Bijbel niet het product is van mensen, maar van God, dat haar woorden de adem van God zelf zijn (2 Tim. 3:16), woorden „die de Heilige Geest leert“ (1 Kor. 2:13). Zodoende is Hij niet louter het symbool van onsterfelijkheid, maar de onsterfelijkheid zelf, het ware „Woord van God dat leeft en voor eeuwig blijft“ (1 Petr. 1:23).
Het was aan het begin van de menselijke geschiedenis dat de eerste criticus, stamvader van een steeds groter wordende geslachtslijn, de verraderlijke zaadjes van twijfel begon te zaaien, toen hij de rust van dat vroege tafereel verstoorde met zijn suggestieve vraag: „Ja, heeft God gezegd?” (Gen. 3:1). De aanval die toen in deze ontkennende vorm door de „oude slang, die de duivel wordt genoemd“ (Openb. 12:9), tegen de waarheid van Gods Woord werd ingezet, ontwikkelde zich al snel en werd in bevestigende vorm herhaald met deze woorden:
„Jullie zullen zeker niet sterven; want God weet dat op de dag dat jullie daarvan eten, jullie ogen geopend zullen worden en jullie als goden zullen zijn“ (Gen. 3:4, 5). Vanaf die tijd tot op de dag van vandaag is de aanval onophoudelijk voortgezet. Door de eeuwen heen hebben de stormen van tegenstand en ongeloof zich in een razernij tegen ditzelfde Woord ontladen, om uiteindelijk te verzanden in die poging, terwijl de structuur van de Heilige Schrift intact bleef als altijd; geen enkele steen is losgeraakt, laat staan van het fundament tot aan de hoogste top verdwenen.
De tegenstand van mensen tegen het Woord van God komt voort uit het feit dat de Bijbel de zonde van de mens aan het licht brengt, zijn wijsheid tenietdoet, zijn grootste macht nietig doet lijken en zijn trots in het stof legt. Zoals iemand het heeft uitgedrukt:
„De Bijbel is zo’n Boek dat de mens niet zou kunnen schrijven, zelfs al zou hij dat willen, en niet zou schrijven, zelfs al zou hij dat kunnen.”
Tegenover dit Boek heeft hij de meest intense haat getoond, waaruit een vastberadenheid blijkt om zich te ontdoen van zo’n vernietigende aanklacht tegen zijn eigen verdorven toestand. Om dit te bereiken is de ene na de andere mens de strijd tegen het Boek aangegaan.
„Celsus probeerde het met de schittering van zijn genie, en hij faalde. Vervolgens probeerde Porphyrius het met de diepgang van zijn filosofie, en hij faalde.
Lucien probeerde het met de scherpzinnigheid van zijn satire, en hij faalde. Toen betrad Diocletianus (Romeins keizer) het toneel en probeerde andere wapens; hij zette tegen de Bijbel alle militaire en politieke macht in van het sterkste rijk dat de wereld ooit heeft gekend, op het hoogtepunt van zijn glorie. Hij vaardigde edicten uit dat elke Bijbel verbrand moest worden, maar dat mislukte. Er werden strengere edicten uitgevaardigd, waarin stond dat degenen die bijbels bezaten ter dood moesten worden gebracht, en ook dat mislukte.
Elk vernietigingsmiddel dat menselijke wijsheid, menselijke wetenschap, menselijke filosofie, menselijke scherpzinnigheid, menselijke satire, menselijke kracht en menselijke wreedheid tegen een boek konden inzetten, is tegen de Bijbel ingezet, en de Bijbel staat nog steeds” (Torrey).
Deze vastberaden aanval bleef evenmin beperkt tot het vroegere deel van dit tijdperk. In recentere tijden heeft de aanval niets van zijn scherpte ingeboet.
"Bij Hume, bij Gibbon, bij Voltaire en bij La Place, om nog maar te zwijgen van een groot aantal vulgaire aanvallers, heeft de Bijbel de aanvallen moeten doorstaan van het grootste talent, de scherpste geest en de meest scherpzinnige intellecten. Om hem te doen lijken op een sluw bedacht kluwen, hebben filosofen argumenten gezocht te midden van de mysteries van de wetenschap, en reizigers te midden van de verweerde overblijfselen van de oudheid; met dat doel hebben geologen de ingewanden van de aarde doorzocht, en astronomen de sterren aan de hemel; en toch bestaat zij nog steeds, na achttienhonderd jaar lang de meest sluw bedachte en vakkundig uitgevoerde aanvallen te hebben doorstaan" (Guthrie).
Deze eeuwigheid van de Schrift spreekt boekdelen over haar oorsprong. Wat de mens kan voortbrengen, kan de mens ook vernietigen. Maar dit Boek, dat het Woord van God is, deelt in het karakter van God en is voor eeuwig bestemd. Hoe krachtig de tegenstand ertegen ook moge zijn, zij is slechts geboren om te vergaan, terwijl het Boek dat het voorwerp van haar haat is, voorbestemd is om eeuwig te blijven bestaan.
Alles wat tot de mens behoort, zal door de tand des tijds worden vernietigd; maar de Bijbel is het Boek der eeuwigheid. Wanneer de handwerken van de mens – de dingen waarop zijn dierbaarste hoop is gericht en die hij als het meest duurzaam beschouwt – in de vergetelheid zijn geraakt, zal dit Boek nog steeds blijven bestaan; want de woorden van de Heer Jezus Christus betreffende Zijn eigen leringen gelden voor het gehele Boek:
„Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen niet voorbijgaan“
(Matt. 24:35). En zoals het is geweest, zo zal het ook zijn. „Het rijk van de keizers is verdwenen; de legioenen van Rome vergaan in het stof; de lawines die Napoleon over Europa heeft losgelaten, zijn weggesmolten; de trots van de farao’s is ten val gekomen; de piramiden die zij als hun graven hebben opgericht, zinken elke dag verder weg in het woestijnzand; Tyrus is een rots geworden waarop vissersnetten worden gebleekt; Sidon heeft nauwelijks een ruïne achtergelaten; maar het Woord van God blijft bestaan. Alles wat het dreigde uit te doven, heeft het alleen maar gesterkt; en het bewijst elke dag hoe vergankelijk het edelste monument is dat de mens kan bouwen, hoe blijvend het kleinste woord is dat God heeft gesproken.
De traditie heeft er een graf voor gegraven, onverdraagzaamheid heeft er menig brandstapel voor aangestoken; menig Judas heeft het met een kus verraden; menig Petrus heeft het met een eed verloochend; menig Demas heeft het in de steek gelaten; maar het Woord van God blijft nog steeds bestaan" (Cumming).
Hoe nietig is dan het verzet van mensen tegen de openbaring van God, of dat verzet nu van buitenaf komt in de vorm van luidruchtige ongelovigheid, gewapend als een openlijke vijand, of van binnenuit, in de gedaante van de hogere kritiek, vermomd als een schijnbare vriend. Van deze laatste, die verreweg de meest subtiele is, beschrijft het volgende treffend de waarde.
De vrome Robert C. Chapman uit Barnstaple, die in juni 1902 op negenennegentigjarige leeftijd zijn beloning ontving, antwoordde, toen hem naar zijn mening over de moderne kritiek werd gevraagd, als volgt in een gelijkenis:
„Op een dag, terwijl ik in het middaglicht van een midzomerzon onder een wolkenloze hemel wandelde, werd ik aangesproken door iemand die mij volkomen onbekend was, die mij met een vriendelijke, neerbuigende houding aanbood mij de weg te wijzen. Ik zag in zijn hand een lantaarn, met daarin een brandende, kleine kaars. Medelijden hield mijn opwellende gelach in; dus wees ik, zo ernstig als ik kon, zijn aanbod af en vervolgde mijn weg. Later werd mij verteld dat zijn naam ‘Hogere Kritiek’ was.‘’
De relatie tussen het Woord van God en zijn critici in alle generaties, en de zekere toekomst van elk van hen, wordt in deze regels beschreven:
"Toen ik zojuist langs de deur van de smid liep,
Hoorde ik het aambeeld de vesperklokken luiden;
Toen ik naar binnen keek, zag ik op de vloer,
Oude hamers, versleten door gebruik in vroegere tijden.
‘Hoeveel aambeelden heb je gehad,’ zei ik,
‘Om al deze hamers zo te verslijten en te verpletteren?’
’Slechts één,’ zei hij, en voegde er met een twinkeling in zijn ogen aan toe:
‘Het aambeeld verslijt de hamers, weet je.’
Precies zo, dacht ik, het aambeeld van Gods Woord,
waarop al eeuwenlang de slagen van sceptici neerkomen;
maar hoewel het geluid van de neerkomende slagen te horen was,
is het aambeeld ongeschonden, de hamers verdwenen!”
Zo wordt door de hand van de Tijd bevestigd, in grote letters op de bladzijde van de geschiedenis geschreven, de woorden van de Schrift zelf:
„Want alle vlees is als gras, en alle heerlijkheid van de mens als de bloem van het gras. Het gras verdort, de bloem ervan valt af; maar het Woord van de Heer blijft voor eeuwig bestaan“ (1 Petr. 1:24, 25).
Bron:
Dit ditaat is de Nederlandse vertaling van het voorwoord van:
God's Unique Design in Biblical Numbers
Door: Robert D. Johnston
www.christianbook.com/numbers-bible-gods-unique-design-biblical/robert-johnston/9780825429651/pd/542965X
