De menselijke taal


Het wonder van de menselijke taal.

De natuurlijke taal is het meest omvattende en gedifferentieerde uitdrukkingsmiddel van de mens. Met deze uitgesproken gave is alleen die mens uitgerust. Deze maakt het mogelijk om alle roerselen van het hart en van het geloof even duidelijk tot uitdrukking te brengen als waargenomen verschijnselen van de natuur, het leven en de techniek. Taal is nodig om gedachten van uiteenlopende aard te formuleren en informatie uit te drukken en door te geven. Naast diverse uitdrukkingsvormen van lagere orde, zoals muziek en gebaren, is zij de belangrijkste en meest omvattende mogelijkheid om informatie te verschaffen.

Menselijke talen kunnen een onbegrensd aantal begripsinhouden weergeven. Dit wordt bereikt door een geniaal bouwdoossysteem, immers alle talen hebben een structuur van gelaagde taalkundige eenheden. De kleinste eenheid zijn de klanken. De totale voorraad van alle klanken die de mens door middel van zijn spraakorganen kan voortbrengen, ligt bij 600. Het is verbazingwekkend dat in de 5100 verschillende talen slechts dit betrekkelijk geringe aantal klanken voorkomt. In de loop van het spreekvaardigheidsleerproces produceert een kind het meest die klanken die het in zijn omgeving hoort en laat andere daarvoor weg. De eerste stap van een kind naar de taal toe bestaat dus merkwaardigerwijs daarin, de verklankingsmogelijkheden te beperken, tot ten slotte de typische frequentieverdeling in de moedertaal wordt bereikt.

Het aantal gebruikte klanken varieert van taal tot taal tussen de 15 en 85. De Rotokastaal (eiland Bougainville, Nw. Guinea) heeft met elf letters het kortste alfabet, nl. zes medeklinkers en vijf klinkers: a, b, e, g, i, k, o, p, r, t, u. Daarmee is niets gezegd over het aantal klanken dat met dit stel tekens kan worden gevormd. De Nepalitaal daarentegen heeft meer dan zestig letters. Het Cambodjaans telt zelfs 72 (inclusief de niet meer gebruikte) letters. Met 55 klinkers heeft de Centraalvietnamese taal Sedang de meeste (incl. de verschillende toonhoogten voor ‘gelijke’ klinkers) en de Kaukasische taal Abchasisch met twee de minste. De meeste medeklinkers heeft de Kaukasische taal Ubyx (80-85) en over het kleinste aantal beschikt Rotokas (6).

Geen taal maakt bij benadering ten volle gebruik van de mogelijkheden tot woordvorming. Het hoogste aantal verschillende klankcombinaties zou bereikt kunnen worden door alle klanken of fonemen (akoestische bouwstenen, merendeels afzonderlijke letters) met alle andere in elke willekeurige volgorde te combineren. Klankopeenvolgingen als ktx, nxr, bfg zijn weliswaar mogelijk, maar doen zich in het Duits (en in het Nederlands, vert.) niet voor. De aan een klankcombinatie toegekende betekenissen zijn willekeurig en moeten door ervaring geleerd worden. Anders is het gesteld met het combineren van woorden tot zinnen.

Er doet zich iets zeer opmerkelijks voor: niemand kan de betekenis weten van een woord dat hij nog nooit heeft gehoord, maar wij kunnen wel zinnen verstaan die nooit eerder zijn uitgesproken en wij kunnen eveneens een eindeloos aantal zinnen produceren waarvan de betekenis door de leden van onze taalgemeenschap zonder meer zou worden begrepen.

De woorden van een taal worden op grond van vaste regels tot zinnen aaneengeregen. Deze regels (grammatica) dienen ertoe woordenchaos te voorkomen en verlenen aan een taal de schier onbegrensde uitdrukkingsmogelijkheden. Hoewel een zin een opeenvolging van morfemen (kortste betekenisdragende eenheid) is, is niet iedere opeenvolging van morfemen een zin. De grammaticale regels bepalen hoe er moet worden gecombineerd om een bepaalde betekenis tot uitdrukking te brengen.

Ondanks de talrijke, zeer uiteenlopende talen zijn er toch talrijke opmerkelijke overeenkomsten:

  1. Overal waar mensen zijn, is er de gave van de taal.
  2. Er zijn taalwetenschappelijk gezien geen ‘primitieve’ talen.
  3. Vergelijkbare grammaticale categorieën (b.v. werkwoorden, zelfstandige naamwoorden, telwoorden) vindt men in alle talen.
  4. Iedere taal heeft de mogelijkheid over het verleden te spreken, uitspraken te negeren, vragen en bevelen te formuleren.
  5. De woordenschat van iedere taal is voor uitbreiding vatbaar.
  6. Ieder normaal kind, waar het ook op aarde geboren wordt, is, onafhankelijk van ras of van geografische of sociale afkomst, in staat elke willekeurige taal te leren. Daaruit volgt: aangeboren zijn een mens slechts die vermogens, die hem in staat stellen met behulp van spreekinstrumenten, zich in iedere willekeurige taal uit te drukken en dankzij de verstandstoerusting naar verkiezing, ieder taalsysteem zo te leren, dat zinnen in die taal begrepen en door de betrokken persoon zelf geconstrueerd kunnen worden.
  7. Iedere taal bezit in principe de mogelijkheid elke denkbare gedachte te formuleren. De menselijke talen kunnen – in tegenstelling tot de communicatiesystemen der dieren – een onbeperkt aantal betekenisinhouden doorgeven.

Complexiteit en karakteristieken van talen

Van de Duitse dichter Friedrich Gottlieb Klopstock (1724-1803) is de uitspraak: »Iedere taal is als het ware een bewaarplaats van de voor een volk meest kenmerkende begrippen«. Taal is iets dat een volk karakteriseert en draagt ook mede een duidelijk stempel van zijn levensruimte.

Ongeveer een derde van alle talen ter wereld zijn toontalen, d.w.z. dat verschillen in toonhoogte van een zelfde woord andere betekenissen er aan geven. Bij het neerschrijven van zulke teksten doet zich het probleem voor om de toonhoogte aan te geven. Een notenstelsel is denkbaar, maar voor dagelijks gebruik te omslachtig. Bovendien gaat het bij toontalen niet om absoluut vastgelegde toonhoogten. Immers een klein meisje spreekt op een veel hoger toon-niveau dan een oude man. Bepalend zijn slechts de juiste afstanden in toonhoogte tussen de lettergrepen. De meeste toontalen maken gebruik van twee à zes toonhoogten. Deze worden door kleine hooggeplaatste cijfers na de betreffende lettergrepen weergegeven. Toontalen bestaan niet alleen in China en omgeving, maar eveneens in Afrika en Amerika.

Oorsprong van de talen

Over de oorsprong der menselijke talen bestaat een onoverzienbare hoeveelheid speculaties en theorieën. Volgens de natuurgeluid- of imitatietheorie zouden de mensen geluiden van dieren hebben nagebootst. De menselijke taal beschikt weliswaar over veel imitatiewoorden, maar voor vastleggen in een systematiek zijn imitaties van diergeluiden ongeschikt, temeer daar dierimitaties van volk tot volk zeer willekeurig variëren. Een Duitse haan b.v. roept ‘kikeriki’, een Engelse ‘cokadoodledoo’ een Russische ‘kukuriki’ en een Vlaamse ‘kukeleku’. Een eskimo kan het geluid van een walvis nagenoeg natuurgetrouw nabootsen, maar het komt niet bij hem op de walvis naar dat geluid te noemen.

Andere theorieën gaan er van uit dat de menselijke talen afgeleid zijn van emotionele uitroepen of dat de eerste woorden dienden ter illustratie van bepaalde gebaren. Ook de evolutionistische voorstelling van een opwaartse ontwikkeling van basis- en uitstootklanken via primitieve talen (der natuurvolken) tot de cultuurtalen is door de vergelijkende taalwetenschap grondig weerlegd. Zelfs de geïsoleerd levende stammen van de Californische Indianen waren in het bezit van een uiterst gecompliceerde en subtiele taal. Het was praktisch onmogelijk die taal grammaticaal uit te splitsen en op adequate wijze over te zetten. De wel meest complexe Indianentaal is Comanche. In de Eerste Wereldoorlog gebruikten de Amerikanen deze taal als geheime code. Aan de beide uiteinden van de telefoonverbinding waren twee Comanche-Indianen ingezet die de in het Engels voorgelegde militaire boodschap in hun taal door de leiding lieten gaan. De betekenis van de afgetapte boodschap was niet te achterhalen daar de grammatica van de Europese talen te ver afstaat van het Comanche en het leren van deze taal meerdere jaren van intensieve studie vergt.

In de Tweede Wereldoorlog werden eveneens deze ‘code talkers’ uit verschillende Indianenstammen (b.v. Comanche, Chippewa, Hopi, Navajo) ingezet. Van het marinecorps der Amerikanen maakten 375 Navajos deel uit. De eerste vier verzen van het Johannesevangelie in die taal mogen een indruk van deze gecompliceerde taal geven:

Ihodeeyáadi Saad jílj, Saad éí Diyin-God bil hojfló, índa Saad éí Diyin God jfl’j. 2Táa ‘éí hodeeyáadi Diyin God bil hojfló; 3éí hodeeyáadi Diyin God bil hoifló; 3éí’áá’altsoni ájiilaa, índa dahólon’gii t’áálá’f ndi t’áá hádingo t’áadoo la’ályaa da. 4líná hwii’ hóló, áko éí iinán’gíí nihokáá’dine’é bá bee adinidíín.


1* In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. 2 Dit was in den beginne bij God. 3 Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is. 4 In Hetzelve was het Leven, en het Leven was het Licht der mensen.

Wij stellen vast: alle talen zijn uniek en alle talen zijn perfect. De stamleden der talrijke natuurvolken zijn zich er niet van bewust van welke moeilijke categorieën zij zich bedienen. Ook de structuur van hun grammatica kennen zij niet: zo kan het concept van hun taal ook niet door hen of hun voorouders ontworpen zijn.

Johann Peter Süssmilch stelde (1756), dat de mens de taal niet heeft kunnen uitvinden zonder denkvermogen te bezitten en dat het denken op zijn beurt afhankelijk is van voorafgaand taalbezit. De enige oplossing van deze paradox is, dat God aan de mens de taal gegeven heeft.

Inderdaad: God kan men niet bewijzen, maar Hij heeft Zich in de schepping zo geopenbaard dat Zijn existentie alsook Zijn grootheid en wijsheid door logische gevolgtrekking is vast te stellen (Ps. 19, Rom. 1:19,20). Dat geldt ook voor de herkomst der talen. Een evolutieve ontwikkeling is ten enenmale uit te sluiten, zodat op grond van de complexe werkelijkheid en het daarachter verscholen geniale concept in alle talen van een ideeëngever moet worden uitgegaan. Wij accepteren dan ook het bijbelse bericht volgens hetwelk God aan de mens dit bijzondere vermogen in het kader van de schepping gegeven heeft. De gave van de taal betreft de volgende details:

  • Schepping van het voor articulatie nodige speciale spreekapparaat
  • Vermogen tot scheppen van woorden (Genesis 2:19)
  • Vermogen tot het leren van een taal
  • Creatieve omgang met het verschijnsel taal

In het oordeel over Babel (Genesis 11:7) kwam het tot opsplitsing in een veelheid van talen. Gebleven is echter het vermogen alle gedachten in woorden uit te drukken. Aan de hand van de talrijke bijzonderheden der talen hebben wij ons van de complexiteit en bijzondere sterke alsook zwakke eigenschappen een beeld verschaft.

Momenteel worden op de aarde ongeveer 5100 talen gesproken. Veel talen zijn uitgestorven; 3000 alleen in de laatste duizend jaren. Slechts 100 talen worden door meer dan steeds een miljoen mensen gesproken; en tweederde van de wereldbevolking doet het met een handvol: Chinees, Hindoestani, Engels, Russisch en Spaans.

Taal in schriftvorm

De uitvinding van het schrift kunnen wij rekenen tot de grootste geestelijke prestaties van de mens. ‘s Mensen geheugenopslag is van korte duur en de opslagcapaciteit van de hersenen is beperkt. Informatie in schriftvorm lost het probleem op, zowel over afstanden als over jaren en eeuwen. Pas het schrift helpt een volk aan literatuur, geschiedschrijving en technologie. Volken en stammen zonder vorm van schrift zijn daarom boven een bepaalde trap van beschaving niet uitgekomen (b.v. Indianen, natuurvolken). Pas de geschreven taal verschaft de mogelijkheid informatie op te slaan, zodat gedane uitvindingen en verkregen kennis en inzichten (b.v. geneeskunde, techniek) niet verloren gaan, maar integendeel nog verder ontwikkeld worden.

Het gesproken woord kreeg door het schrift de dimensie van duurzaamheid.

Overgeleverde geschiedenis begint met de geboorte van het schrift; in de meeste samenlevingen geldt dat ook voor de wetenschap. Het schrift werd door verschillende volken uitgevonden (3500 v.C. beeldschrift der Sumeriërs, 3000 v.C. hiërogliefenschrift der Egyptenaren, 200 v.C. spijkerschrift in het Midden-Oosten, 1500 v.C. ideogrammen der Chinezen). Het laatste en beslissende stadium echter was pas met de uitvinding van het alfabet bereikt. Het bestaat uit een éénmaal bepaald aantal schrifttekens waarvan elk – tenminste in het ideale geval – staat voor een enkele gesproken klank. Alle tekens kunnen in willekeurige combinatie worden gebruikt om de verschillende woorden van een taal schriftelijk weer te geven. Het alfabet met zijn rationele beperking tot weinige tekens, zijn flexibiliteit en directe relatie in de klanken van de gesproken taal, maakte het schrift aanzienlijk gemakkelijker te leren en toe te passen. Circa 2500 v.C. ontstond op de bodem van de huidige staten Israël, Libanon en Syrië voor het eerst dit verbazingwekkende schriftsysteem. De volgende (slechts weinige!) alfabetten zijn tegenwoordig in gebruik: Hebreeuws, Latijn, Grieks, Cyrillisch, Georgisch, Arabisch, Perzisch, Indisch.

 

Werner Gitt

 

Referenties:


  • Dit artikel verscheen voor het eerst in: De stem in de woestijn (juni / juli 2002)
  • Deze tekst is een samenvatting van: 'Am Anfang war die Information' (D) of ‘In the Beginning was Information’(E) een boek van Werner Gitt

To top