De wetten van Mendel: wat leren ze ons?


In de vorige artikels zagen we dat ons wereldbeeld op verschillende manieren kon beïnvloed worden door selectieve aanbreng van informatie. In het voorbeeld van twee artikels zagen we dat een bepaald onderwerp dat algemeen in het wereldbeeld van de mens leeft, eigenlijk tegen bepaalde natuurwetten ingaat, verder zagen we dat bepaalde resultaten op meer dan één manier tot stand kunnen komen. In dit artikel gaan we op onderzoek naar een onbewezen uitbreiding van een natuurwet.

De wetten van Mendel

Gregor Mendel

(1822-1884) groeide op in de ouderlijke boerderij, met interesses voor het tuinieren en het houden van bijen. Op 21 jarige leeftijd trad hij toe tot een Augustijnse abdij die hem zes jaar later sponsorde voor zijn studie op de universiteit van Wenen. Op zijn 31ste (1853) vervoegde hij terug zijn abdij, afgestudeerd als leraar.

Hij combineerde het patersleven als leraar op de plaatselijke middelbare school met het beoefenen van wetenschap op de binnenplaats van de abdij, gaande van het kweken van erwtenplanten tot astronomie.

In 1859 kweekte Georg Mendel zijn eerste generatie geselecteerde erwten. Mendel had opgemerkt dat erwten een klein aantal specifieke eigenschappen vertoonden:

* zaadvorm (glad of gerimpeld))

* zaadlobkleur (groen of geel)

* zaadhuidkleur

* peulvorm

* peulkleur

* plaats van de peul aan de stengel

* de lengte van de stengel (kort of lang

De testen van Mendel leidden tot het verbazende resultaat dat er een vaste regelmaat te vinden was in hoe de geselecteerde eigenschappen terug te vinden waren in de nakomelingen. Dit leidde tot de wetten van Mendel die ons leren wat men kan verwachten bij het kruisen van bepaalde soorten. Deze wetten worden, zowel bij het kweken van planten als van dieren, veelvuldig toegepast.

Hij merkte op dat er geen tussenvormen van de geselecteerde eigenschappen ontstonden maar dat er een duidelijk verband bestond tussen de dominante eigenschappen en de recessieve. Bij zijn erwten was er onder andere de mogelijkheid om gladde of gerimpelde zaden te krijgen. Iets daartussen werd niet gevonden!

Het principe van wat je zaait, zal je oogsten werkt al duizenden jaren; het is zelfs tot een spreekwoord geworden.

Ten tijde van Mendel was het mechanisme achter deze regelmaat, het DNA, helemaal niet bekend, dat is pas in de 20ste eeuw aan het licht gekomen.

De wetten van Mendel verklaren natuurlijk niet alles. Bonnier en Kerner von Marilaun voerden aan het einde van de 19e eeuw een reeks experimenten uit waarbij ze planten uit het laagland zaaiden hoog in de bergen. De planten die dit overleefden vertoonden allerlei abnormaliteiten en bleven veel kleiner dan hun soortgenoten in het dal. Wanneer de nakomelingen dan weer in het dal werden gezaaid en onder betere omstandigheden konden groeien, verdwenen alle abnormaliteiten. De aanpassing van de planten was daarom niet over-erfbaar, dus geen evolutie... Deze waarnemingen zijn niet verwonderlijk: waarom gebruiken we voedingsstoffen, meststoffen en serres om onze teeltgewassen zo snel mogelijk groot en gezond te krijgen? Blijkbaar hebben organismen de mogelijkheid om uitvoerig te reageren op de omstandigheden: uitstekende omstandigheden geven veel vrucht, harde omstandigheden leiden tot armzalige gewassen.

De natuurwetten die Mendel, Bonnier en Kerner von Marilaun registreerden, wijzen ons er op dat organismen een voortplantingsmechanisme bezitten dat zeer nauwkeurig de eigenschappen van deze organismen kopieert, en tegelijkertijd ruimte geeft voor variatie binnen bepaalde grenzen. Bij planten, die een redelijke simpele levensvorm zijn, is deze variatie te overzien. Bij de erwtenplant kon je maar twee kleuren voor de zaadlobben verwachten. Het is dan ook geen wonder dat het planten- en dierenrijk mooi kan ingedeeld worden in ordes, families en... De verschillende soorten blijven netjes binnen hun grenzen. We zien ook dat organismen vanaf een bepaalde complexiteit mogelijkheden bezitten om enige variatie te induceren. Bij sommige planten gaat het om eenvoudige variaties zoals de gladde of gerimpelde zaden bij de erwtenplanten van Mendel, bij de mens is er een brede waaier aan variatie mogelijk waardoor we gerust kunnen stellen dat er op deze aardbol geen twee gelijke mensen rondlopen, tenzij het eeneiige tweelingen zijn.

Vanwege het feit dat we natuurwetten konden bepalen in verband met de erfelijkheid van bepaalde factoren, en dat we geen tussenvormen zien, zelfs niet op de schaal van de vorm van de zaden, moeten we stellen dat de mogelijkheden beperkt zijn en dat deze beperkingen in het DNA zelf zijn te vinden.

Een uitbreiding naar een model waarin de niet waargenomen evolutie wel een rol zou spelen is daarom erg utopisch.

Besluit

De evolutietheorie is een model dat ingaat tegen de natuurwetten die de het biologisch leven op aarde beschrijven. De veronderstelde evolutie is een te opportunistische uitbreiding van de (natuur)wetten van Mendel.

De proeven van Bonnier en Kerner von Marilaun tonen ons, samen met de resultaten van de bemestingsleer en het gebruik van serres in de tuinbouw, dat de levensomstandigheden een grote rol spelen in de ontwikkeling van organismen, maar dat er ook hier geen evolutie zichtbaar is.

Dit kan natuurlijk veel dieper besproken worden. Maar het feit dat er natuurwetten gekend zijn die een model tegenspreken, moet ons doen besluiten dat het model niet deugt. In de wetenschap hebben de natuurwetten steeds een grotere autoriteit dan enig model of theorie.

Het is duidelijk dat dit een zeer ingrijpende conclusie is in het wereldbeeld van de westerse mens. Het impliceert dat wij als mensen niet ontstaan zijn door toeval, maar dat er een degelijk doordacht en uitgewerkt mechanisme door Iemand is tot bestaan geroepen.