Homoseksualiteit


Louis SANDERS

De westerse wereld is in de laatste decennia in toenemende mate toleranter geworden ten opzichte van homoseksualiteit. Men is homoseksualiteit gaan beschouwen als "een natuur", iets wat een mens biologisch meegekregen heeft.

A. De bijbel tegenover homoseksualiteit

We bespreken, in deze paragraaf, dit onderwerp niet naar wat mensen er (tegenwoordig) over denken. Het gaat er niet om hoe IK erover denk, noch hoe U erover denkt, maar hoe GOD erover denkt, de God "in Wiens hand uw adem is" (Daniël 5:23).

Zoals elke vorm van seksueel gedrag met personen buiten het huwelijk, wordt homoseksualiteit in de bijbel streng veroordeeld. In het oude testament staat in Lev 18:22 vermeld:

En gij zult geen gemeenschap hebben met een, die van het mannelijk geslacht is, zoals men gemeenschap heeft met een vrouw: een gruwel is het.

En in Lev 20:13 wordt de doodstraf opgelegd:

Een man die gemeenschap heeft met iemand van het mannelijk geslacht, zoals men gemeenschap heeft met een vrouw, - beiden hebben een gruwel gedaan, zij zullen zeker ter dood gebracht worden, hun bloedschuld is op hen.

In het nieuwe testament luidt Rom 1:27 :

Eveneens hebben de mannen de natuurlijke omgang met de vrouw opgegeven, en zijn in wellust voor elkander ontbrand, als mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende en daardoor het welverdiende loon voor hun afdwaling in zichzelf ontvangende

En 1 Kor 6:10 :

Dwaalt niet! Hoereerders , afgodendienaars, overspelers, schandjongens, knapenschenders, dieven, geldgierigen, dronkaards, lasteraars of oplichters, zullen het Koninkrijk Gods niet beërven

De NBG vertaalt het Griekse woord arsenokoitai door 'knapenschenders', in feite gaat het over homoseksuelen. Homoseksualiteit was in het Griekenland van de oudheid veel meer verspreid dan tegenwoordig in de westerse wereld. Vanuit Griekenland was deze praktijk verspreid in het Romeinse rijk. Barclay1 vermeldt dat 14 van de eerste 15 Romeinse keizers homoseksuele praktijken hadden. Tegenover deze situatie stelt het christendom een radicale veroordeling.

 

 

B. Homoseksualiteit in de hedendaagse beleving

Geschiedenis

Homoseksualiteit is in wisselende mate in Europa sociaal gesanctioneerd. Sinds de tweede helft van de twintigste eeuw wordt zij steeds meer aanvaard. In de zeventiger jaren werd homoseksualiteit in de therapeutische literatuur nog algemeen als 'seksuele afwijking' gekenmerkt, net als alle seksualiteit die niet gericht is op wezens van dezelfde soort, van het andere geslacht en van ongeveer gelijke leeftijd. Op het einde der negentiger jaren werd het woord 'afwijking' zorgvuldig vermeden. Er is wat veranderd.

In vele eeuwen is homoseksualiteit voorgesteld als "tegen-natuurlijk". Heden doen overtuigde homoseksuelen hun best, en met veel succes, om homoseksualiteit voor te stellen als een "natuur". Men "is" homo of hetero, en in een aantal gevallen wordt ook de mogelijkheid van biseksualiteit vermeld. Het merendeel der mensen, ook gedragswetenschappers, geloven dat homoseksualiteit een kwestie van 'natuur' is, iets waartoe men van geboorte af voorbeschikt is. Deze overtuiging wordt veel minder geuit voor ander seksueel 'variant' gedrag, dat duidelijker als ongewenst beleefd wordt, zoals bijvoorbeeld voor pedofilie, sadisme, exhibitionisme of fetisjisme. In feite zijn zowel de mening dat homoseksualiteit een aangeboren aard is als de mening dat het tegennatuurlijk is, gewoon voorbeelden van overtuigingen of mythes die niet meer dan rationalisaties zijn van een emotionele reactie, met andere woorden, die moeten dienen om een bestaande houding te rechtvaardigen. Tegenstanders van homoseksualiteit hebben vaak het onnatuurlijke ingeroepen om hun verwerpende houding te rechtvaardigen, voorstanders roepen hun "aard" in om tolerantie af te dwingen. Los echter van de vraag of homoseksualiteit werkelijk aangeboren zou zijn, heeft zulke overtuiging belangrijke gevolgen.

Wij zouden als christenen kunnen menen dat het niet nodig is om de vraag te stellen hoe homoseksualiteit ontstaat. Het moet immers voldoende zijn te weten dat de bijbel het veroordeelt. Willen wij echter mensen met homofiele aantrekking kunnen helpen, dan kunnen wij moeilijk de vraag naar de oorzaken uit de weg blijven om minstens vier redenen.

  1. Vooreerst blijkt uit de klinische praktijk dat de idee of de vrees van "ik ben zo" acute vlagen van sterke ontmoediging en demotivering tegenover de begeleiding verwekt bij de betrokkene. Het is belangrijk dat correcte informatie over de oorzaken van homoseksualiteit beschikbaar is. Ook de hulpverlener of pastoraal werker wordt in zijn optreden onvermijdelijk beïnvloed door zijn persoonlijke mening of twijfel over de manier waarop homoseksualiteit zich ontwikkelt.
  2. Ten tweede is, zoals wij verder zullen beschrijven, de kennis van de leerprocessen van homoseksualiteit nuttig voor het afbouwen van een homofiele aantrekking. Vooreerst zal men er over moeten waken dat de homoseksualiteit niet ongemerkt aangemoedigd blijft. Bovendien gaat het in principe over dezelfde leerprocessen, enerzijds om homoseksualiteit en anderzijds om heteroseksualiteit te bevorderen.
  3. Ten derde is een kennis van die leerprocessen nuttig bij het beoordelen van andere seksuele gedragingen zoals seksuele fantasieën en masturbatie
  4. Tenslotte heeft een geloof in het aangeboren karakter van homoseksualiteit als effect dat moralisten en gelovigen gemakkelijk wegen gaan zoeken om homoseksualiteit ethisch aanvaardbaar te verklaren. In sommige denominaties, waar vroeger geen sprake was van aanvaarding van homoseksualiteit, zijn nu vele gelovigen, onder druk van de moderne opvattingen over de oorsprong van homoseksualiteit, geneigd om homoseksualiteit niet langer als onchristelijk te bestempelen. Andere christenen geraken in de war over het thema of zijn geneigd algehele seksuele onthouding te zien als enige uitweg voor homoseksuelen, wat naar wij menen, meestal niet de beste oplossing is.

Wij kunnen dus de belangrijke vraag niet ontwijken of, en in welke mate, homoseksualiteit werkelijk aangeboren en/of aangeleerd zou zijn, en verder, in welke mate homoseksualiteit veranderbaar is in heteroseksualiteit en of algehele onthouding misschien meer haalbaar zou zijn.

Veroorzakende factoren van homoseksualiteit

In de vakliteratuur werd homoseksualiteit in de zestiger en zeventiger jaren beschouwd als een variant van wat seksuele 'afwijkingen' genoemd werd. Daarmee werd bedoeld dat de seksualiteit gericht werd op andere objecten dan een volwassen persoon van het andere geslacht. Heden wordt meer gesproken van seksuele 'voorkeuren'.

Met seksuele voorkeuren wordt bedoeld de soort persoon of soort voorwerpen, de kenmerken ervan en de soort van gedragingen die de meeste seksuele belangstelling en opwinding verwekken. Wordt de grootste opwinding uitgelokt door mannen, door vrouwen, door kinderen, door lederen laarzen of door nog wat anders? De voorkeur die ons hier meest interesseert is het geslacht van de partner: zijn de voorkeuren hoofdzakelijk homo- of heteroseksueel? Binnen een bepaald geslacht zal ook de seksuele aantrekkelijkheid niet even groot zijn, een man wordt niet door elke vrouw of door elke andere man even seksueel aangetrokken. Veel fysieke attributen en details, de lichaamsbouw, het gezicht, bepaalde lichaamsbewegingen of gedrag, maar ook kenmerken als karakter, levensbeschouwing of materiële welstand van de persoon verhogen of verminderen de aantrekkelijkheid. Gedeeltelijk worden voorkeuren sociaal aanbevolen, zodat modetrends een rol kunnen spelen. Er kunnen bijvoorbeeld periodes zijn waarin kleinere borstmaten der vrouwen meer prikkelend werken en periodes waarin grotere maten van borstomtrek de voorkeur krijgen. Anderzijds zullen er ook steeds individuele verschillen in voorkeur zijn naargelang van ieders achtergrond.

Ook op gebied van seksueel gedrag zijn er individuele verschillen in voorkeur. Velen hebben de voorkeur voor bepaalde houdingen tijdens de coïtus, sommigen houden van orale stimulering of worden graag vastgebonden, anderen hebben eerder een afkeur van deze praktijken. De vraag, die wij hier stellen, is hoe deze voorkeuren gevormd worden. Zijn ze aangeleerd (en kunnen wij ze dus als christen richting geven) of worden zij op aangeboren wijze vastgelegd, en in hoeverre valt aan deze voorkeuren iets te veranderen? Wij stellen deze vraag vooral in verband met homoseksualiteit, maar zoals wij verder zullen zien, geldt de vraag ook voor andere voorkeuren.

Wetenschappelijk zijn de oorzaken van homoseksueel gedrag niet volledig precies bekend. Er zijn echter een aantal zaken wel goed bekend. Beginnen wij eerst met enkele algemene wetenschappelijke bevindingen:

  1. Zo goed als zeker is dat er niet één, maar meerdere oorzakelijke factoren een rol spelen bij het uitlokken van homoseksueel gedrag.
  2. De vraag 'aangeboren of aangeleerd?' kan beter vervangen worden door de vraag 'in welke mate aangeboren en in welke mate aangeleerd?'
  3. Voor een goed begrip over de ontwikkeling van een voorkeur dienen, naast leerprocessen, ook de bevorderende factoren in acht genomen te worden, die bewerken dat de leerprocessen zouden plaats hebben.
  4. Wetenschappelijk is het minst met zekerheid gekend over lichamelijke of aangeboren determinanten, over psychologische factoren en leerprocessen is veel meer bekend. In zoverre echter lichamelijke factoren een rol spelen, zijn deze van minder belang en worden zij gemakkelijk overspoeld door psychologische factoren .

Lichamelijke en aangeboren factoren

Vooreerst is het vermogen, en zelfs de drang, om seksueel te reageren sterk erfelijk bepaald. Dat betekent dat bij een ernstig erfelijk of lichamelijk fout lopen (bijvoorbeeld castratie) geen sprake kan zijn van seksuele aantrekking of expliciet seksueel gedrag en dat lichamelijke factoren een aanzienlijke rol kunnen spelen in het bepalen hoe sterk de drang naar seksualiteit is. Daarmee is echter seksuele voorkeur nog niet bepaald.

De duidelijkste tekens van aangeboren invloeden liggen op het vlak van de erfelijkheid. Het blijkt dat, wanneer één persoon van een tweeling homoseksueel is, de kans dat de ander ook homoseksueel is, groter is bij eeneiige tweelingen dan bij niet-eeneiige tweelingen. Moest echter een erfelijke invloed zeer sterk zijn, dan zou die kans voor eeneiige tweelingen zeer hoog liggen terwijl zij slechts rond de 50 % ligt. Bovendien is het mogelijk dat de erfelijke invloed onrechtstreeks is en beperkt wordt tot een gelijk reageren op bepaalde ervaringen met het milieu.

Veel onderzoek is verricht over de invloed van hormonen op homoseksualiteit. Uiteindelijk zijn nog geen duidelijke sterke verbanden gevonden. Er is gebleken dat bij een derde van lesbische vrouwen het testosterone niveau hoger ligt dan bij heteroseksuele vrouwen, maar bij tweederde was er geen verschil. Bij vrouwen met seksuele problemen bleek er ook geen verschil in testosterone niveau tussen lesbische en heteroseksuele vrouwen. Dit lijkt er ook op te wijzen dat de psychologische factoren (bij problemen) de lichamelijke invloeden fel overtreffen.

De invloed van leerprocessen op het ontstaan van homoseksualiteit

Vroeger onderzoek naar oorzaken van homoseksualiteit en andere "afwijkingen" was erg beïnvloed door de psychoanalyse, die altijd veel getheoretiseerd heeft over seksualiteit. Sommige uitgangspunten van de psychoanalyse hebben het onderzoek echter een hele tijd op een dwaalspoor gehouden. Vooreerst ging de psychoanalyse ervan uit dat er iets bestond als "het normale" en dat al wat daarvan afwijkt pathologisch is, net zoals al wat afwijkt van de structuur van een gezonde lever, ziekelijk is. Al wat afweek van heteroseksualiteit werd dus als ziekelijk beschouwd. Vandaar ook de benaming van seksuele "afwijkingen". Verder ging men er bijna vanzelfsprekend van uit dat elke ziekte slechts één oorzaak heeft, zoals elke infectieziekte door één bepaald micro-organisme veroorzaakt wordt. Men heeft dus lange tijd naar dé oorzaak van homoseksualiteit gezocht. De manier waarop dé oorzaak het probleem creëerde, de pathologische processen dus, werden niet als belangrijk beschouwd. Er moest gewoon de oorzaak weggenomen worden, zoals de microbe die moet gedood worden. Er was weinig belangstelling voor de processen.

Er werd bijvoorbeeld gevonden dat bij veel homoseksuelen heterofobie te vinden was, maar in een tijdschrift der 70er jaren stond vermeld dat "vrees voor het andere geslacht niet ¨de¨oorzaak kon zijn van homoseksualiteit aangezien er zoveel biseksuelen zijn". Er werd gevonden dat vele homoseksuelen, paradoxaal genoeg, in hun kindsheid seksueel lastig gevallen waren. Aangezien een traumatische ervaring als dé oorzaak van neurosen beschouwd werd, leek men op het goede spoor. De vraag bleef echter waarom niet alle homoseksuele aanrandingen tot homoseksualiteit leiden en waarom niet alle homo's aangerand waren. Pas later is men ervan uitgegaan dat factoren als heterofobie en vroege expliciet seksuele ervaringen geen homoseksualiteit kunnen verklaren, maar dat het gegevens zijn die de (leer)processen naar homoseksualiteit kunnen bevorderen. Vooreerst over die leerprocessen zelf.

Leren door beloning en bestraffing

Een belangrijk leerproces voor het leren van gedrag, gevoelens, gewoonten en reacties op uiterlijke prikkels of situaties is de operante conditionering, met andere woorden het leren door beloning, uitdoving en bestraffing.

Seksuele opwinding, en vooral een orgasme, blijkt een sterke bekrachtiger te zijn voor het leren van een seksuele voorkeur. In de literatuur zijn veel onderzoekingen verschenen waaruit blijkt dat homoseksualiteit op deze manier kan geleerd worden. Een van de eerste publicaties in dit verband was van McGuire, Carlisle en Young2. Deze auteurs begonnen een verband te leggen tussen verschillende bevindingen in verband met seksueel variant gedrag. Er is bijvoorbeeld vastgesteld dat meer dan ¾ van mensen met seksueel variant gedrag, vaak gemasturbeerd hebben met fantasieën over dat zelfde variant gedrag, vooraleer zij overgaan tot het werkelijk uitvoeren van dat variant gedrag. Dit is een bekend leerproces, maar een praktijk die niet iedereen zal doen wegens de sociale afkeuring. McGuire en zijn collega's gaan er nu van uit dat bepaalde omstandigheden, zoals heterofobie of een traumatische aanranding op zichzelf niet voldoende zijn om de deviante voorkeur te vestigen, maar dat zij wel de weg kanaliseren en de stof leveren tot later fantaseren bij masturbatie. Herhaald masturberen bij deze fantasie erotiseert het onderwerp van deze fantasie.


Een onrechtstreekse aanwijzing over de conditioneringskracht van masturbatiefantasieën bleek in volgend onderzoek, over de behandeling van andere seksuele voorkeuren. Exhibitionisten kregen slides te zien met teksten die hetzij exhibitionistisch, hetzij heteroseksueel gedrag beschreven. Bij het oproepen van de exhibitionistische scènes werd een elektrische schok gegeven, die pas stopte wanneer de patiënt overschakelde naar een slide met heteroseksuele inhoud. Degenen die tussen de sessies in bleven masturberen met de ongewenste fantasie, hadden 24 weken therapie nodig om hun exhibitionistisch gedrag te kunnen laten. Degenen die tussen de sessies niet meer masturbeerden bij de exhibitionistische fantasie, konden het werkelijk exhibitioneren onderbreken na 4 weken therapie.

Een aantal auteurs vermelden gevallen waarbij iemand ervaart dat zijn seksueel variant gedrag angst of spanning sterk reduceert en die later bij spanning een drang voelen naar het variant gedrag. De combinatie van het orgasme en de spanningsvermindering als bekrachtigers, zou het variant gedrag erg duurzaam en dwangmatig maken.

Seksuele voorkeuren die sociaal afgekeurd worden, zijn vaak eerst 'privaat' ingeoefend door masturbatiefantasieën. In een aantal gevallen worden deze voorkeuren aanvankelijk niet door fantasie, maar rechtstreeks door herhaalde ervaringen geleerd. In de literatuur zijn heel wat voorbeelden hoe ouders of vrienden variant gedrag aanmoedigen, bijvoorbeeld hoe een moeder overvloedig het dragen van meisjeskleding bij haar zoontje (latere transvestiet) bekrachtigt met beknuffelen, handgeklap en bewondering uiten, hoe een moeder zich voortdurend naakt toont en verleidend opstelt voor haar zoontje die later voyeur werd, hoe een moeder haar later lesbische dochter mee in bed nam en aanspoorde tot strelen der borsten en andere erotische activiteit. Vaak zijn de vroegste ervaringen van homoseksuelen seksspelletjes met leeftijdgenoten geweest.

Sociale afkeuring en bestraffing door sociale sanctionering heeft een inhiberend effect op de ontwikkeling van variant gedrag. Het zou dus niet verwonderlijk zijn dat homoseksueel gedrag toeneemt door de grotere tolerantie, zowel door het wegvallen van de afkeuring als door de verhoogde kans op nabootsing en aanmoediging van andere homoseksuelen.

Cognitief leren van homoseksualiteit

Bij cognitief leren worden de prikkels die opgemerkt worden en de reacties die er op volgen geordend of geklasseerd in categorieën. De gevolgen krijgen een belonend of aversief karakter naargelang van de categorie die er aan toegekend wordt.

Bij gewone conditionering gaat het ongeveer zo: "Ik word graag beloond, als ik mij mannelijk gedraag dan word ik beloond door goedkeuring, daarom wil ik een man zijn".

Bij cognitief leren gaat het anders: "Ik ben een man, daarom wil ik mannelijk gedrag uitvoeren en daardoor ervaar ik het als belonend als ik de gelegenheid heb om mij mannelijk te gedragen". Wij zouden nog verder kunnen gaan: als ik het belonend ervaar mij mannelijk te gedragen dan wordt ook weer de overtuiging versterkt dat ik een man ben.

Bij de conditionering begint het bij de beloning en deze maakt iets aantrekkelijk. Voor mens en dier is dit soort leerproces levensnoodzakelijk. Bij het cognitief leren begint het bij een oordeel en afhankelijk van dit oordeel gaat gedrag belonend werken of niet of zelfs afstotend. Door het belonend effect van het gedrag gaat het oordeel versterkt worden, een soort vicieuze cirkel. Zulk leerproces bestaat enkel bij de mens.

Verschillende leerprocessen kunnen tegelijk plaats hebben. Conditionering en imitatie kunnen elkaar versterken wanneer bijvoorbeeld de nabootsing beloond wordt. Ook cognitief leren en conditionering kunnen gecombineerd elkaar versterken. Zo kunnen dezelfde reacties belonend of bestraffend beleefd naargelang men zich als homo of als hetero geklasseerd heeft.

Iets heel merkwaardig heeft zich voorgedaan in verband met homoseksualiteit. Vaak wordt erkend dat homoseksualiteit wel kan aangeleerd worden, maar dat van bepaalde homoseksuelen, met name dan de 'louter of exclusief homoseksuelen', in tegenstelling tot de 'biseksuelen', de aard biologisch bepaald is. Dit standpunt lijkt nu wetenschappelijk bekeken moeilijk verdedigbaar. Volgens Bancroft3 is het fenomeen van exclusieve homoseksualiteit het product van een cognitief leerproces.

Vroeg in de kindsheid verwerft het kind de geslachtsidentiteit. Het leert "Ik ben een jongen" of "Ik ben een meisje", een mens is of jongen, of meisje. Bij elk geslacht horen heel wat attributen, lichamelijke kenmerken en ook veel gedragingen, die ofwel bij het jongen-zijn ofwel bij het meisje-zijn horen. In de meeste gevallen werken attributen en gedragingen, die beantwoorden aan het eigen geslacht, zelfbevestigend (cognitief leren) en zij worden bovendien sociaal bekrachtigd (operante conditionering). Attributen of gedragingen die bij het andere geslacht horen, worden meestal bestraft. Een jongen wil een 'echte' jongen zijn, met alles er op en er aan (cognitief), en hij wordt sociaal bekrachtigd voor écht jongensgedrag terwijl meisjesachtige lichaamskenmerken of gedrag meestal afgekeurd wordt of met spot bestraft wordt (conditionering). Mijn jongere zus bootste aanvankelijk haar twee grotere broers na door haar grote schreden bij het stappen en door haar jongensspelen, zoals met een schop spitten (imitatie). Door sociale afkeuring van volwassenen werd haar gedrag bijgestuurd naar geslachtsconform gedrag.

Heel wat later komt de seksuele identiteit tot ontwikkeling. Zoals de kinderen geleerd wordt om zich, of als mannelijk, of als vrouwelijk, te beschouwen, zo dienen adolescenten en jonge volwassenen zich te etiketteren als óf heteroseksueel, óf homoseksueel. De notie van biseksualiteit is pas later opgekomen en wordt als 'noch vis noch vlees', door velen onwenselijk beschouwd en daarom geweerd. De indeling van de seksuele voorkeur in twee categorieën, heteroseksueel-homoseksueel, is typerend voor de hedendaagse westerse cultuur en heeft volgens Bancroft4 door cognitieve leerprocessen geleid tot de vorming van de exclusief homoseksuele identiteit. Jonge mensen gaan bij zichzelf op zoek naar kenmerken die geassocieerd worden een van beide categorieën. Plaatsen ze zichzelf in één van beide categorieën, dan gaan kenmerken of gedragingen, die volgens hen horen bij die categorie, als belonend beleefd worden, terwijl kenmerken of gedrag dat bij de andere categorie behoort, geweerd worden en storend beleefd worden. Op die manier wordt dan terug de overtuiging versterkt over de categorie waartoe men behoort.

Moest exclusieve homoseksualiteit een aangeboren aard hebben, dan kan verwacht worden dat dit soort van homoseksualiteit teruggevonden wordt bij dieren. In biologisch bepaalde kenmerken gelijkt de mens immers zeer sterk op zoogdieren en in gedragingen die abstracte cognitieve verwerking impliceren, verschilt de mens sterk van dieren. De kennis over de biologie van de mens is vooral door uitgebreid dierenonderzoek verworven. Ook zijn de wetmatigheden van conditionering hoofdzakelijk langs dierenonderzoek bekend. Voor cognitieve leerprocessen kan echter geen beroep gedaan worden op dierenonderzoek. Bancroft bespreekt uitvoerig onderzoekingen over het seksuele gedrag van allerlei dieren. In bepaalde gevallen heeft men zelfs door verandering van milieuvoorwaarden de mate van homoseksueel gedrag kunnen beïnvloeden, wat wijst op het belang van leerprocessen. Wat echter overal ontbreekt in dit soort van onderzoek, is een soort van exclusieve homoseksualiteit. In al de bestudeerde gevallen en bij alle soorten van dieren werd steeds naast homoseksueel gedrag ook heteroseksueel gedrag bij dezelfde dieren vastgesteld.

Moest exclusieve homoseksualiteit een kwestie van aangeboren aard zijn, dan zou kunnen verwacht worden dat exclusieve homoseksualiteit in elke menselijke maatschappij terug te vinden is. Ook dit is geheel niet zo. In een van de geciteerde onderzoeken was in 41 % van de 70 bestudeerde culturen homoseksualiteit een vaak voorkomende gewoonte. Haast altijd ging heteroseksueel gedrag samen met homoseksueel gedrag bij dezelfde persoon. Exclusieve homoseksualiteit tijdens een gans leven was hoogst ongewoon.

In het Griekenland van de eerste eeuw was homoseksualiteit iets gans anders dan nu. Er bestonden geen categorieën van óf hetero, óf homo. Een 'gezonde' heidense Griek had seks met zijn vrouw om kinderen te krijgen, hij had een aantal vriendinnen om dagelijks mee te slapen, hij had prostituees om van te genieten en hij had een vriend om een 'diepe liefde' mee te beleven. Plato meende dat enkel de liefde tussen mensen van hetzelfde geslacht de seks kon overstijgen. Voor veel Grieken was alleen de homoseksuele liefde blijvend, zuiver en werkelijk geestelijk. Een veel voorkomend verschijnsel was dat van een oudere man, die mogelijk in de seksuele gemeenschap met een jonge man,.als het ware zijn jeugd trachtte te verlengen. Exclusieve homoseksualiteit zou gans anders bekeken worden dan bij ons, het zou waarschijnlijk pathologisch gevonden worden. Er bestonden ook geen subculturen van homoseksuelen, met een levensstijl die verschilde van de heteroseksuelen. De homo was ook hetero, kortom, die twee categorieën bestonden niet in de beleving van de Griek.

Een kenmerk dat in onze cultuur verbonden wordt met homoseksualiteit is bijvoorbeeld een verwijfd voorkomen en gedrag bij de mannelijke homo. Ook dat was onbekend in het oude Griekenland. Integendeel werd homoseksualiteit vaak in verband gebracht met mannelijkheid, heldenmoed, militaire deugd en zelfopoffering. In Thebe werden elitetroepen samengesteld uit koppels van homoseksuele minnaars.

Zelfs in onze eigen cultuur werd in de vroegste onderzoekingen naar seksueel gedrag reeds gevonden dat de dichotomie, of opdeling in twee elkaar uitsluitende categorieën van of homo, of hetero, eerder een gedachtenconstructie dan werkelijkheid was. In de befaamde Kinsey rapporten der vijftiger jaren bleek dat 37 % der mannelijke ondervraagden minstens één homoseksuele ervaring met orgasme beleefd hadden, terwijl slechts 4 % exclusief homoseksuele ervaringen gekend hadden. Het feit echter dat iemand denkt dat de mens of homo of hetero is, heeft een zeer grote invloed op de ontwikkeling van zijn seksualiteit.

Factoren die homoseksuele leerprocessen bevorderen

In de vorige paragraaf werden leerprocessen beschreven waarvan bekend is dat zij een rol spelen bij de ontwikkeling van homoseksualiteit. Het feit dat leerprocessen zulke grote rol spelen, misschien zelfs nagenoeg volledig het ontstaan van homoseksualiteit verklaren, betekent dat opvoeding erg belangrijk is. In deze paragraaf worden factoren besproken die homoseksuele leerprocessen bevorderen. Deze factoren zijn op zichzelf geen leerprocessen, maar zij beïnvloeden de waarschijnlijkheid dat homoseksuele leerprocessen zullen op gang gebracht worden. De kennis van deze factoren zijn om minstens twee redenen belangrijk. Vooreerst benadrukken zij door hun grote invloed eens temeer dat de rol van erfelijkheid bij het ontstaan van homoseksualiteit en andere voorkeuren niet groot kán zijn. Vervolgens bieden zij concrete aanwijzingen over een aantal zaken waarop dient gelet te worden om te voorkomen dat ongewild homoseksualiteit bevorderd wordt tijdens de opvoeding.

Cross gender identiteit

Met de uitdrukking cross gender gedrag wordt gedrag bedoeld dat typerend geacht wordt voor het andere geslacht. Zo is vrouwelijk gedrag bij een man, of mannelijk gedrag bij een vrouw, cross gender gedrag. Door het aanleren van veel cross gender gedrag wordt het ontstaan van een cross gender identiteit bevorderd. Daarmee wordt dan bedoeld dat een man zich als vrouw gaat voelen of een vrouw een mannelijke identiteit beleeft.

Een cross gender identiteit is geen leerproces voor homoseksualiteit. Toch blijkt er een verband te bestaan. In een onderzoek werden jongens met vrouwelijke trekken gevolgd tot in hun volwassenheid. Een meerderheid werd homoseksueel. Omgekeerd blijkt in studies over homoseksuele mannen en vrouwen bij velen geslachtsnonconformisme voor te komen. Ook in andere culturen blijkt er een zekere samenhang tussen cross gender identiteit en homoseksualiteit. In de volwassenheid verdwijnt echter dit geslachtsnonconformisme grotendeels.

Een belangrijke vraag is hoe het verband te verklaren is. Er wordt beweerd dat eenzelfde erfelijke factor zou verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van een cross gender identiteit en homoseksualiteit. Deze mening is niet wetenschappelijk gestaafd, maar ook niet volledig weerlegd. Wel is zeker dat een vermoedelijke erfelijke factor niet de enige oorzaak kan zijn van homoseksualiteit, want er is een grote groep van mensen met cross gender kenmerken die niet homoseksueel zijn, en lang niet alle homoseksuelen hebben cross gender kenmerken of gedrag.

Vanuit het standpunt van leerprocessen kan verondersteld worden dat cross gender identiteit bewerkt dat men zich gaat identificeren met het andere geslacht en dit als model gaat nemen. Aangezien nu mensen van het andere geslacht seksueel aangetrokken worden door het eigen geslacht, gaat men dat ook doen en wordt dus homoseksualiteit aangemoedigd. Wat het cognitief leren betreft, gaat iemand met cross gender identiteit in deze situatie een bevestiging vinden van de zelfbenoeming "Ik ben homo". Het doet er niet toe dat er een werkelijk een verband zou bestaan tussen geslachtsidentiteit en seksuele identiteit, doordat men in cross gender identiteit een teken ziet van homoseksualiteit, gaat men zich zo ook voelen. Cross gender identiteit betekent dan een aanleiding tot cognitief leren van homoseksualiteit.

Om een beter idee te verwerven over de invloed van gender identiteit op de seksuele identiteit zou het nuttig zijn om een hedendaagse cultuur te vinden waar homoseksualiteit geassocieerd wordt met verhoogde mannelijkheid, zoals in het oude Griekenland. Moest een erfelijke factor verantwoordelijk zijn voor het verband, dan zou dat verband blijven bestaan in zulke cultuur. Moesten echter cognitieve leerprocessen de doorslaggevende invloed hebben, dan kan een omgekeerd verband verwacht worden : sterke mannelijke trekken zou dan mannelijke homoseksuelen bevorderen.

In de zeventiger jaren was mijn jongste dochter bevriend met een jongetje. Ze vertelde eens hoe de mama van het jongetje steeds vrouwelijk gedrag aanmoedigde bij haar vriendje. Naar aanleiding daarvan vertelde ik mijn vrouw dat op deze manier homoseksualiteit zou kunnen bevorderd worden. Twintig jaar later was mijn dochter eens op bezoek geweest bij de familie van het vroegere vriendje. Thuis gekomen vertelde ze zeker te zijn dat haar vroegere vriend homo was. Ze herinnerde nog wat ik vroeger gezegd had!

Aanrandingen en vroege seksuele ervaringen met personen van het eigen geslacht

Het is al lang bekend dat veel homoseksuelen vroege seksuele ervaringen gehad hebben met personen van hun eigen geslacht, ook vaak ervaringen die zij op het ogenblik zelf traumatisch of alleszins negatief beleefden. In een recent onderzoek5 gaven 46 % der mannelijke homoseksuelen vroege homoseksuele aanrandingen op tegenover 7 % van de mannelijke heteroseksuelen. Bij vrouwen vertelden 22 % van de lesbische vrouwen dat ze als kind seksueel lastig gevallen waren door vrouwen, tegenover slechts 1 % van de heteroseksuele vrouwen.

In vroeger onderzoek is gebleken dat een meerderheid van jongens van net vóór de puberteit vertelt dat zij erecties krijgen in allerlei prettige of beangstigende, en niet noodzakelijk seksuele situaties. In de daaropvolgende jaren worden de erecties meer specifiek verbonden met seksuele prikkels. Het lijkt dat de kinderen in een soort van overgangsfase eerst gemakkelijker tot erecties komen, die door een of ander discriminatieproces steeds meer verbonden worden met seksuele stimuli. Vooral in deze periode is het belangrijk wat de kinderen ter beschikking hebben om als seksueel te etiketteren. Voor een groot gedeelte kan de groep van leeftijdsgenoten een rol spelen om te bepalen wat een seksuele betekenis gaat krijgen. Jongens die geïsoleerd leven van leeftijdsgenoten blijken bijvoorbeeld gemakkelijker bijzondere seksuele voorkeuren te ontwikkelen. De vroege eigen seksuele ervaringen hebben echter ook een sterke indruk gelaten en zullen gemakkelijk een sterke seksuele betekenis krijgen. Prettige homoseksuele exploratie is op zichzelf een leerproces, hoewel waarschijnlijk onvoldoende indien slechts sporadisch. Het leerproces kan echter verder lopen langs masturbatie met fantasieën. De concrete vroegere ervaringen zijn vaak de best voorstelbare. Bovendien kunnen zelfs negatief beleefde ervaringen, ook nog vaak de meest concrete voorstellingen zijn die men ter beschikking heeft als masturbatiefantasie. Kinderen met dergelijke ervaringen gaan dus gemakkelijker tot homoseksuele leerprocessen komen.

Onbeschikbaarheid van het andere geslacht

In veel onderzoeken en in diverse culturen blijkt homoseksualiteit meer voor te komen wanneer het andere geslacht moeilijk of niet beschikbaar is. Experimenteel is aangetoond dat jonge aapjes, zowel mannelijke als vrouwelijke, meer homoseksueel (maar niet exclusief homoseksueel) gedrag vertoonden wanneer zij een tijd in groepjes van gelijk geslacht geplaatst waren dan wanneer zij in gemengd samengestelde groepjes verbleven. In culturen waar de geslachten gescheiden worden tot het huwelijk, komt meer homoseksualiteit voor bij de ongehuwden en lesbische relaties ontstaan meer in polygame samenlevingen dan in monogame culturen.

Ook in onze westerse samenleving komt meer homoseksueel gedrag voor wanneer de geslachten gescheiden worden: in gevangenissen, op schepen, bij militairen in oorlogstijd, in unisekskostscholen, in kloosters en onder personen met angst tegenover het andere geslacht. De onbeschikbaarheid van het andere geslacht is als begunstigende factor voor homoseksualiteit niet rechtstreeks verklaarbaar vanuit erfelijke factoren, zij verwijst eerder naar het belang van leerprocessen. De opkomende seksuele behoefte is wel sterk biologisch bepaald, maar vooral (echter niet alleen) in de periode van ontluikende seksuele drang rond de puberteit, worden voorkeurpatronen van bevrediging geleerd langs leerprocessen. Waar heteroseksualiteit afgesperd wordt, worden alternatieve wegen gezocht, bijvoorbeeld homoseksualiteit. Reeds in de veertiger jaren werd in het Kinsey rapport vermeld dat meer dan een derde van volwassen mannen minimaal één homoseksuele ervaring gehad heeft met orgasme. De meerderheid van deze mensen zou zichzelf niet als homoseksueel etiketteren. De frequentie en de duur van dergelijke contacten ligt verspreid, gaande van nooit tot exclusief homoseksueel contact.

Onbeschikbaarheid van adequate modellen van het eigen geslacht

In de literatuur worden vele gevallen vernoemd waarbij de vaders van homoseksuele personen beschreven worden als afwezig of als inadequate modellen voor mannelijk gedrag en waar de gezagsstructuur binnen het gezin eerder de imitatie van de ouder van het andere geslacht bevordert. Indien er bovendien een zekere isolering bijkomt van leeftijdsgenoten of een aanmoedigen van homoseksuele contacten, dan wordt de kans tot een ontwikkeling van homoseksueel gedrag groter. Gedrag dat past bij het eigen geslacht wordt niet bekrachtigd. Het gaat hier over identificatie op latere leeftijd dan voor de vorming van de geslachtsidentiteit.

Kunnen seksuele voorkeuren gewijzigd worden?

In de wetenschappelijke literatuur wordt de laatste tijd minder gepubliceerd over de behandeling van homoseksualiteit dan in de zestiger en zeventiger jaren. Dit heeft te maken met een snel veranderde houding ten opzichte van homoseksualiteit. In de USA waren, in tegenstelling met bijvoorbeeld België en Nederland, zeer lang homoseksuele contacten bij wet verboden en strafbaar, net als andere seksuele 'afwijkingen' zoals pedofilie en exhibitionisme. In 1962 werd Illinois de eerste Amerikaanse staat waar homoseksualiteit met instemming van beide partijen, niet langer strafbaar was en pas in 1974 schrapte de American Psychiatric Association homoseksualiteit van haar lijst van pathologische diagnosen. Heden worden pogingen om homoseksualiteit te willen veranderen erg negatief beoordeeld, zij worden beschouwd als een discriminatie tegenover minderheidsgroepen en pogingen tot verandering lokt voorspellingen uit van schadelijke psychologische gevolgen.

Het ligt hier niet in de bedoeling de behandeling van homoseksualiteit gedetailleerd weer te geven. Het wordt wel nuttig geacht zulke behandelingen enigszins uitvoeriger te beschrijven omdat de behandelbaarheid meestal niet geloofd wordt. (verdere tekst in afwerking)

To top


1 BARCLAY, W., The letters to the Corinthians. The Westminster Press, Philadelphia, 1975, p.53.

2 McGuire R.J., Carlisle J.M. en Young B.G., Sexual deviations as conditioned behaviour: a hypothesis. Behaviour Research and Therapy, 1965, 2, 185-190.

3 BANCROFT J., Human sexuality and its problems. Churchill Livingstone, New York, 19892, p.185.

4 BANCROFT J., o.c., p.186.

5 Tomeo ME, Templer DI, Anderson S, Kotler D., Comparative data of childhood and adolescence molestation in heterosexual and homosexual persons. Arch Sex Behav. 2001 Oct;30(5):535-41