Tegenstellingen tussen Genesis 1 en 2?


Inleiding

Regelmatig worden we in gespreksavonden rond 'Schepping en Evolutie' geconfronteerd met de bewering dat de chronologie van Genesis 1 in tegenspraak is met het verhaal in Gen.2:5 e.v. Bovendien komt deze kritiek niet alleen van buiten uit, dit wil zeggen van niet-gelovigen die hiermee het Genesis verhaal proberen te ondermijnen. Ook interne kritiek wordt wel eens gehoord aangaande deze ogenschijnlijke tegenstrijdigheid in de chronologie van het scheppingsgebeuren. Soms worden daarbij interpretaties van beide verhalen gesuggereerd die niet stroken met een gezonde bijbelexegese.

Hebreeuwse tekst

Een nader onderzoek naar de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst en woordvolgorde dringt zich op.

 

Is er een tegenstrijdigheid in de volgorde van gebeurtenissen in Gen.2:5 en Gen.1? Gen.1:11 leert ons dat God op de derde dag de planten schiep, en Gen.1:26 zegt ons dat de mens op de zesde dag geschapen werd. Echter, in Gen.2:5 wordt beweerd dat er nog geen enkel veldgewas of kruid des velds op de aarde was uitgesproten omdat er nog geen regen gevallen was en omdat er nog geen mens was om de aardbodem te bewerken !

 

Vele volkeren hebben hun eigen verhalen over hoe alle dingen zijn ontstaan, en heel typisch wordt daarin gewag gemaakt van het ontstaan van de zon, de maan, oceanen enzovoort, precies zoals de structuur van het verhaal in Gen.1. Maar Gen.2 vanaf vers 5 is anders, heeft een heel andere vorm, is geen opsomming van hoe alles tot stand is gekomen. Het is dan ook helemaal niet de bedoeling geweest van de schrijver om, naast hoofdstuk 1 met de opsomming van hoe alles ontstaan is, nog eens op een andere manier te herhalen hoe een aantal dingen hun ontstaan hebben gevonden. Neen, Gen.2 is eerder een aanvulling op Gen.1, en wel een uitvergroting van hetgeen op dag zes van de schepping heeft plaatsgevonden. Er wordt een specifiek thema uitgelicht en verder belicht. Heel centraal in Gen.2:5 staat het woordje 'want'; dit verbindt de afwezigheid van de planten met de afwezigheid van regen en van de mens. Dit oorzakelijk verband vereist dus de aanwezigheid van zowel de regen als van de mens, beide dus, chronologisch voor het verschijnen van die planten. Maar de lezer die zeer goed oplet op de tekst merkt ook op dat het hier gaat om twee soorten planten: 'veldgewas' en 'kruid des velds'. Er worden dus andere woorden gebruikt voor deze planten als in Gen.1 terug te vinden is. En zo komen we dichter bij een conclusie dat het hier gaat om planten die enkel kunnen groeien als de mens ze gaat onderhouden en verzorgen, met behulp van de regen. We mogen dan ook aannemen dat deze gewassen door de mens gecultiveerd werden om in z'n eigen onderhoud te voorzien; zeg maar 'boerderijgewassen'. Mogelijk kan daarbij zelfs het onderscheid gemaakt worden tussen vruchtdragende gewassen (veldgewas) en zaaddragende gewassen (kruid des velds) zoals koren, graan en groenten, die dienst doen als voedsel voor mens en dier.

Gen.2:5 spreekt dus van een totaal ander soort planten als Gen.1, namelijk van een plantensoort die pas tot ontstaan komt, of beter gezegd: kan komen, doordat de mens er zorg voor gaat dragen.

Wanneer we dit bekijken in het licht van de Goddelijke voorzienigheid, dan is het duidelijk dat er onderscheid gemaakt dient te worden tussen de 'gewone' en de 'bijzondere' Goddelijke voorzienigheid. Met 'bijzondere' voorzienigheid bedoelen we de wonderlijke schepping waarin Gods bovennatuurlijk ingrijpen overduidelijk naar voor komt. Hiervan kunnen we lezen in Gen.1. Met 'gewone' voorzienigheid bedoelen we het normale verloop van de natuurlijke processen en wetmatigheden, nadat alles wat daarvoor benodigd is ook daadwerkelijk zijn plaatsje heeft gekregen. Dit kon slechts vanaf het moment dat God volledig klaar was met al z'n scheppingsdaden, dus in Gen.1.

Voor hetgeen in Gen.2:5 e.v. beschreven staat is geen bovennatuurlijk ingrijpen van God vereist; het gaat hier niet om een tweede scheppingsdaad maar om natuurlijke processen die voortvloeien uit het scheppingswerk van Gen.1.

 

Proberen we nu ook nog eens wat nader te onderzoeken over welke locatie het heel specifiek gaat in Gen.2. Tot en met vers 4a gaat het telkens om de uitdrukking 'de hemel en de aarde', maar in vers 4b gaat het opeens over in 'aarde en hemel'! Wat bedoelt de schrijver daarmee? Wil hij ergens de aandacht op vestigen? Blijkbaar wel, en met name wil hij nu onze aandacht vestigen op de 'Hof van Eden'. En precies in dat vers, 4b, wordt de aanspreekvorm van God ook veranderd in 'HERE God', waarbij de toevoeging van Jehova (HERE) verwijst naar Gods verbondsnaam, de intieme naam die Hij gebruikt in zijn relatie met de mens.

Dit wijst er bovendien ook nog eens op dat de schrijver, Mozes, plots verandert van locatie van het gebeuren, naar de Hof van Eden in plaats van de hele aarde. Zoniet had Mozes evengoed kunnen verdergaan met God als aanspreekvorm.

 

Gen.2:4b en volgende verzen richten zich dus op wat zich afspeelt in de Hof van Eden. Daar waar de Hebreeuwse uitdrukking voor aarde (ha-eretz) in Gen.1 de gehele aarde bedoelde, wordt nu het woord ha-adamah (grond) gehanteerd die door de mens diende bewerkt en bewaard te worden (vs.15). Blijkbaar hadden de planten buiten de Hof van Eden geen bewerking nodig om zich in stand te houden, maar binnen de Hof was dat dus duidelijk anders. Het is dan ook logisch dat het binnen de Hof om andere planten gaat dan daarbuiten.

Conclusie.

Dieper onderzoek naar de ogenschijnlijke tegenstellingen tussen Gen.1 en Gen.2 leert ons dat de twee beschrijvingen niet in tegenspraak met elkaar zijn. Integendeel, het tweede hoofdstuk belicht wat duidelijker wat er zich op dag 6 van de scheppingsweek heeft afgespeeld. Bovendien krijgen we meteen al een idee van hoe de eerste mensen, Adam en Eva, begonnen zijn met landbouw en teelt van gewassen zoals groenten en fruit.

 

 

Bewerking van een artikel van Michael J. Kruger, uit 'Creation ex Nihilo, Technical Journal, Vol.11, 1997.