Holbewoners in de Bijbel


Inleiding

Misschien heb je jezelf al eens afgevraagd waar de holbewoners thuis horen in de schepping, zoals we die lezen in de bijbel. In school en op de tv wordt ons geleerd dat onze voorvaderen holbewoners waren. Grotschilderingen, stenen en koperen wapens worden als bewijsmateriaal aangevoerd. Wat moeten we hiermee?

Het is een feit dat God de mens heeft geschapen, volledig afgewerkt. Er was geen verdere evolutie nodig. Dit kunnen we afleiden uit het eerste 'werk' dat Adam te doen kreeg: alle dieren een naam geven. Op het eerste zicht is dat niet zo moeilijk, maar probeer eens om een stoet van 1 tot 3 miljoen dieren (!) eigen en passende naam te geven! (Gen 2:19) (Over het juiste aantal diersoorten zijn de wetenschappers het nog niet eens omdat er nog steeds nieuwe soorten ontdekt worden. En mogelijk moest Adam enkel de families benoemen, kwestie om niet de hele dag bezig te zijn...) Dit werk vereist hoe dan ook de nodige intelligentie en verbeeldingsvermogen! Verder is hij in staat om met zijn vrouw te praten, na te denken... Volgens Gods woord was de mens af!

Geschapen als volwaardige mensen

Laten we de geschiedenis van de mens dan even in vogelvlucht volgen. De mens werd geschapen naar het beeld van God in een wereld die speciaal voor hem gemaakt was. In het aards paradijs lopen Adam en Eva naakt rond. Ze beseffen hun naaktheid niet, ze hadden geen kennis van goed en kwaad (Gen 2:17). Dan, door het verbod van God naast zich te leggen, verkrijgen ze die kennis wel. Wordt hier iets aan de mens toegevoegd? Neen, het is alsof ze ineens iets beseffen dat ze voorheen niet beseften.

Om hen tegemoet te komen in hun probleem van naaktheid maakt God voor hen klederen van vellen en bekleedt hen daarmee! (Gen 3:21) Is hiermee de eerste holbewoner geboren?

We lezen in hetgeen volgt niets over de woonplaats van Adam en Eva. Hun kleinzoon werd stichter van een stad (Gen 4:17); ook lezen we van families die in tenten wonen, dus hier voorlopig geen sprake van holbewoners, maar wel van mensen die een bewuste keuze maken om zich op een bepaalde manier te vestigen. Merk ook op dat in Gen.4:21 over fluiten en citers gesproken wordt. Dit houdt in dat de mensen toen reeds een serieuze vakkennis bezaten, zowel in het bewerken van hout als in de metaalbewerking (vers 22). Als ze dus kiezen voor een bepaalde woning, dan heeft dit niet zo zeer te maken met wat ze kunnen bouwen of maken, maar meer met hoe ze hun woning willen gebruiken.

Opnieuw beginnen

Als we het (water)geweld van de zondvloed (Gen 6:5 - 9:17) even vergelijken met de natuurrampen die we nu kennen, dan kunnen we veronderstellen dat de zondvloed wel zo goed als alle bewijzen van beschaving heeft weggevaagd. We zullen dus onze holbewoners na de zondvloed moeten zoeken. Zoals we weten bouwde Noach een ark op aanwijzingen van God. Gezien de afmetingen zal hij dat niet alleen gedaan hebben want de ark was ongeveer 135 m lang, 22.5 m breed en 13.5 m hoog. Hiervoor is ook de nodige technologie nodig. Noach en zijn tijdsgenoten waren blijkbaar niet dommer dan wij. Toch zal de zondvloed een flessehals geweest zijn in de ontwikkeling van de mens: al de kennis en ervaring die bij de mensen aanwezig was, werd met die mensen van de aarde geveegd, enkel de arkbewoners konden hun kennis overdragen op het volgende geslacht.

De volkenlijst die ons het nageslacht van Noach en zijn zonen uitlegt in Genesis 10 leert ons dat de namen van de nakomelingen meer dan eens ook voor een stad of een streek gebruikt werden: de plaats waar die nakomeling zich met zijn familie gevestigd heeft...
We lezen van tentbewoners en van de bouw van steden.

Geen sociaal vangnet

Wie dus de bijbel (Gods Woord) serieus neemt moet aannemen dat de mens van het begin van de schepping af in staat was om zichzelf te voorzien van een degelijke woonst en degelijke kledij. De mens was daartoe in staat... maar deed hij het ook steeds? Zoals we tegenwoordig luieriken en nietsnutten hebben zullen die vroeger ook bestaan hebben, een sociaal systeem om van te profiteren bestond vroeger niet... gevolg: Prediker 10:18 Door luiheid valt het gebinte ineen en door slapheid van handen wordt het huis lek. Trek je die lijn verder door dan kom je uit op een soort mensen die door Job als volgt beschreven worden:

Job 30: 1 Maar nu lachen over mij minderen dan ik van dagen, welker vaderen ik versmaad zou hebben, om bij de honden mijner kudde te stellen. 2 Waartoe zou mij ook geweest zijn de krachten hunner handen? Zij was door ouderdom in hen vergaan. 3 Die door gebrek en honger eenzaam waren, vliedende naar dorre plaatsen, in het donkere, woeste en verwoeste. 4 Die ziltige kruiden plukten bij de struiken, en welker spijze was de wortel der jeneveren. 5 Zij werden uit het midden uitgedreven; (men jouwde over hen, als over een dief), 6 Opdat zij wonen zouden in de kloven der dalen, de holen des stofs en der steenrotsen. 7 Zij schreeuwden tussen de struiken; onder de netelen vergaderden zij zich. 8 Zij waren kinderen der dwazen, en kinderen van geen naam; zij waren geslagen uit den lande. (Staten vertaling)

De beschrijving die Job hier geeft doet sterk denken aan een scenario dat ons op school geleerd wordt: de holbewoners. Maar ik denk dat we hiermee nog geen genoegen moeten nemen. We weten dus dat de mens van zijn schepping af in staat was om degelijk voor zichzelf te zorgen. We hebben de bijbel er op nageslagen om te zien hoe het de mens ging al die tijd. Toch krijgen we hiermee m.i. geen volledig beeld. Het volk in de bijbel beschreven is immers het volk van God. Telkens wanneer het gezondigd had kwam het weer terug tot God en het werd hiervoor gezegend. Die zegening kwam waarschijnlijk niet alle volkeren toe. Psalm 127:1 Als de HERE het huis niet bouwt, tevergeefs zwoegen de bouwlieden daaraan.. Het is dan ook redelijk waarschijnlijk dat de holbewoners - zoals we die kennen vanuit de geschiedenisboeken - tot deze categorie behoren. Zeker als deze mensen leefden in meer gematigde streken dan Israël. Regen en koude brengen immers nog extra werk mee voor de mens die zich daartegen moet beschutten.

Besluit

Volgens de evolutionisten wijzen de grotschilderingen van de holbewoners er op dat deze mensen (nog) niet erg ontwikkeld waren. In Australië echter heeft men grotschilderingen ontdekt waarmee men eerst geen raad wist. Later bleek dat deze schilderingen een soort sterrenkundig kalender waren!

We mogen ons als christenen ook niet laten beënvloeden door berichten van een of andere ' nieuwe' voorouder die men zou gevonden hebben! De huidige theorie van de evolutie van de mens hangt zodanig slecht aaneen dat bij elke nieuwe vondst de kans bestaat dat de gehele stamboom verandert. Aanhangers hiervan moeten de keuze maken tussen het feit ¹dat we zouden afstammen uit 1 apenpaar of ²dat de mens gelijktijdig zou ontstaan zijn op verschillende plaatsen op aarde. Dit laatste is zeer onwaarschijnlijk doch fossiele vondsten zouden hierop wijzen omdat men fossielen van de verschillende evolutie-stadia in zeer uiteenlopende plaatsen op de aarde vindt. Aan de andere kant hebben de genetica-geleerden alle redenen om te denken dat de mens uit 1 (echt)paar is ontstaan en ze hebben nog gelijk ook, alleen weten zij niet dat het reeds volwaardige mensen waren.

Volgens de evolutietheorie stammen alle mensen af van de holbewoners. Uit de bijbel kunnen we leren dat dit idee te verwerpen is, en dat we eerder moeten geloven dat slechts de mensen die van God afdwaalden en door tegenslag of luiheid hun kennis en cultuur verloren, uiteindelijk (tijdelijk) als holbewoner door het leven gingen. Indien (evolutionistische) geleerden overblijfselen vinden een primitieve en een meer ontwikkelde leefgemeenschap in één gebied, is het voor hen logisch dat de primitieve gemeenschap de oudste is. Hoewel het goed mogelijk is dat het omgekeerd was of dat ze tezamen bestonden!

Nog meer info op Peter Scheele's Site